Over Russell Brand en zijn anti-democratische oproep

Ik ben een democraat en ik ben verbouwereerd. Door Russell Brand wel te verstaan. Zijn tirade voor de ogen van meer dan drie miljoen mensen wereldwijd is zeer dubieus. Voor een democraat, zeg ik er bij. De Britse comedian mocht in een interview met Jeremy Paxman zijn aanklacht tegen de status quo uitleggen. Dit deed hij met veel energie, flair en een groot idioom. De meeste reacties waren lovend van aard. Dit is de stem die wij misten. De stem van onze generatie. Het geluid van de 99%. Revolte!

En daar was het. Terwijl hij kinetisch op het puntje van zijn stoel zat, verklaarde hij niet te stemmen. Sterker nog, nooit te hebben gestemd. Dit op zich is discutabel voor iemand die zich niet kan vinden in de status quo. Maar toen kwam het kwalijkste wat er in een democratie kan worden gezegd: “[…] they shouldn’t vote, that’s what I’m thinking they should do, don’t bother voting. […]

Verzachtende omstandigheden? Natuurlijk. Het vertrouwen vanuit de samenleving in het vermogen van de elite om problemen op te lossen is laag. De betrokkenheid in de politiek is tanende. Echter, moet dit dan in houden dat er maar beter niet gestemd kan worden? De facto ondermijnt zijn uitspraak de democratie.

Ondanks dit, is er geen ophef. Hier en daar in een Britse krant een opiniestuk dat Brand op een aantal punten terecht wijst. Maar de grote ophef over een dergelijke uitspraak blijft uit. Wat als hij had opgeroepen om al ons geld van de bank te halen? Tegenwoordig kan dit zelfs leiden tot een celstraf van maximaal 4 jaar plus een geldboete van 19.000 euro. Vinden wij het in stand houden van een bank dan zoveel belangrijker dan een democratie?

Ik kan goed meegaan in de argumentatie dat zijn uitspraak valt onder de vrijheid van meningsuiting. En deze is een grote verworvenheid in onze democratische rechtsstaat. Maar hier volgt de ironie: want door het gebruik van deze vrijheid op deze manier kan diezelfde vrijheid onder uit worden gehaald. Erken dit gevaar als de vrijheid van meningsuiting je lief is.

Toegegeven, zijn gepassioneerd relaas is zoveel meer dan de apathische politiek die we gewend zijn. Alleen dient zijn charisma niet te worden misvat als het antwoord op de huidige apathie. Drie jaar geleden brachten de Amerikaanse tv-komieken Jon Stewart en Stephen Colbert 215.000 mensen op het been om te demonstreren voor redelijkheid en tegen de angst. Dit was hun antwoord op een opruiende demonstratie van dom-rechts in de VS vlak daarvoor. Juist die redelijkheid is nodig om onze democratie te versterken en het vertrouwen te herstellen in een onredelijke politieke klimaat. Clowneske oproepen tot niet meer stemmen is meer van hetzelfde in deze galblaas democratie.

Volgende week zaterdag doet het circus Brand ook ons land aan. Als het een imam was geweest die kwam oproepen om deze democratie omver te werpen, dan zou hij ten eerste ‘haatbaard’ zijn genoemd en ten tweede hadden we hem niet toegelaten. Brand is echter welkom. Terecht ook. Daarom heb ik advies aan hen die naar zijn ‘The Messiah Complex’-show gaan. Lach hartelijk om zijn grappen. En help de beste man van zijn complex af: begin een politieke partij.

Tijd

Ze liep voor mij uit.
Met haar lonkende benen.
Met haar verleidelijke passen.

Eerst begreep ik niet
dat ik achter haar aan wilde.
En ik groeide op
groot en sterk
haar in te halen.

Haar te verleiden
haar passeren te laten
voor mij.

Maar ze sprak niet terug.
Ze liep door.

Vermoeid, en weemoedig
van onze uitgebleven
ontmoeting,

haakte ik af.

Zij liep door.

Ik niet meer.

de kade

Aan de kades van mijn stad meren liefdes aan. Het zijn dakloze liefdes. Liefdes die leven in stalen kooien en kwetsbare harten. Hier aan de kade staat alles voor even stil. Voor even samen.

Dromerige silhouetten die elkaar opzoeken in het gemeden licht. Opgesloten in hongerige armen. Besloten tussen vier ogen. Bevochtigd met rode lippen en roze tongen. Dampende lijven en beslagen ruiten.

Hier aan de kade raakt de hoop geïnfecteerd door het verhaal van het water dat zich ongemakkelijk een weg baant door het droge land op zoek naar open zee. De open zee waar water geen vreemde is. De open zee waar het water niet ingekaderd is.

Verboden en verbannen. Verliefd en vertrouwd. Verklaard en verhuld. Verdronken en verloren.

De magie van deze liefelijke momenten wordt gebroken door het kale geluid van het vastklikken van gordels. Vastgeriemd in de realiteit. Tot de volgende ontmoeting in het donker. Op deze grens van het onbewogene en het bewogene.

Wij niet

Wij respecteren je niet.
Wij accepteren je niet.
Wij tolereren je niet.
Wij moeten je niet.
Wij voelen je niet.
Wij horen je niet.
Wij willen je niet.
Wij laten je niet.
Wij zien je niet.

–Daar kan ik mee leven.

–Wij niet.

120

Vele buien van zonnestralen hebben verdorde rivieren diep in het ooit zo strakke land gegraveerd. Het oppervlak is uitgerekt, verkleurd en bespikkeld. De regelmatige uitleveringen aan de vier elementen kennen hun weerslag.  De bruine aarde is getransformeerd van een vruchtbare diender voor een zwart woud tot een ondankbare vriend van een woestijnsteppe.

“Wilt u nog wat te drinken?”
“Meer water. Water is goed.”

Aan de rand van de zwembad zit hij in een oranje ligstoel. Vanachter zijn zonnebril ziet hij voor zich een waar spektakel. Een wat jongere vrouw buigt appetijtelijk om een strandbal van de vloer te tillen. Hierbij schuift zij haar billen de lucht in. Haar benen zijn gestrekt. Haar rug is gekromd en haar voeten blijven over de gehele zool in contact met het verzengende keramiek. Er is hier meer dan slechts een welgevormde kont die gezien wil worden.

Het is niet de lenigheid dat het beeld zo grijpend maakt. Het is ook niet de onbegrijpelijk hoge pijngrens – de tegels zijn alsof ze vers gebakken uit de oven zijn ingelegd. Het is de rust in die lenigheid en in de pijn. Het is de vrede met het lijf en het leed.

De strandbal die zij oppikt, is voor haar zoon. Zij is oprecht blij met dit moment. Een moment waarop zij is waar ze wil zijn. Haar tijd, en daarmee haar leven, ingedeeld rond het geluk dat zij eraan ontleent. Haar geliefde vrucht gaat gekleed in een rode zwembroek. Het water van het zwembad biedt hem de verkoeling die hij in deze hitte naarstig zocht. Hij had in het oude hotel zijn beklag gedaan over de hete middagen. Zij weet echter niet beter dan te genieten van de hitte. Het maakt haar lichaam los en soepel, in tegenstelling tot het koude vlakke land waar ze vandaan komt. Een klimaat dat haar tot verkrampen dwingt. Hier is ze vrij in haar lijf. Vrij in haar door de zon gestreelde huid.

Met een glas vol ijsblokjes kijkt hij naar haar bewegingen. Ze gaat terug zitten in haar stoel en pakt het boek op bij de bladzijde die haar aandacht eerder verloor. Haar benen zijn lang en al haar lijfelijke delen zijn prachtig gevuld met veel aandacht en zorg. Ze eet zo gezond als ze kan, en het liefst sport ze vier keer in de week. Soms komt ze niet verder dan twee.

Hij sluit zijn ogen en richt ze naar de hemel.

 

121

De biefstuk is mals. Even staat hij stil bij het behandelen van dit vlees door een onbekende in een witte katoenen jas met rood-bruine vlekken achter in de keuken op een aluminium aanrecht met een roestvrij stalen hamer. En dan de pan in. De koe was de slaag volledig waard. Ieder klap komt tot zijn recht in de rijke smaak die in vaste en vloeiende vorm uiteindelijk via zijn tong in zijn maag belandt. En hij denkt: Zo heb ik er niet eerder over nagedacht. En geniet.

De fles rode wijn op tafel is als een zandloper van zijn nuchterheid.

“Lust u nog een dessert, mijnheer?”
Na een vluchtige blik op de kaart: “De verrassing van de chef graag. En nog zo’n fles.”

Hij kijkt om zich heen. Een man met een hoofd vol zilveren naalden zit aan tafel met een jongere vrouw. De man schuift zijn hand onder de hare vandaan. Verderop lachen twee vrouwen, van wie één telkens een servet voor haar mond houdt. De andere vrouw slikt nog snel haar wijn door voor ze voluit schatert. Hij ziet veel stellen en een paar gezinnen. Hij buigt zijn hoofd en sluit zijn ogen.

Zijn kleurrijke desert wordt geserveerd. Suiker en vet in onherkenbare vormen en toch zo vertrouwd. Hij keurt de wijn. Zijn glas wordt voor hem ingeschonken. Hij neemt een slok gevolgd door een hap en laat zijn tong strijden om twee liefdes. Zijn maag is minder verschillig.

De lege stoel tegenover hem kijkt hij hoopvol aan. Ieder maal weer. In afwachting van een meer gewenste bezetting. Hij wenst zichzelf en al die hongerige stoelen met hem, wat appetijtelijks toe. Meteen denkt hij terug aan de vrouw bij het zwembad.

Hij schuift zijn stoel naar achter en kijkt nog een keer naar de twee vrouwen. Ze hebben nog steeds het plezier van twee giechelende meisjes in een levensgroot poppenkast. Hij staat op en loopt langs ze heen naar de lobby. Zijn vervlogen nuchterheid zoekt naar een vaste, maar zachte ondergrond. Een matras. Hij gaat naar zijn kamer.

Op zijn kamer is het erg benauwd. De ramen waren de hele avond dicht en de airco uit. Hij loopt meteen naar het bed. De kalfsleren riem neemt zijn broek mee naar zijn enkels wanneer hij er een ruk aan geeft. Zweet breekt hem uit. Duizelend gaat hij zitten aan de rand van zijn bed. Zijn vingers proberen de knopen van zijn overhemd los te wippen. De warmte op zijn kamer wordt hem echter te veel en valt achterover. Zijn handen vallen naast zijn lijf.

 

122

Na haar kleine een nachtkus te hebben gegeven loopt zij haar hotelkamer uit. Ze wil naar buiten. Of naar een bar. De nasmaak van de warme avond nodigt haar uit tot een drankje.

Terwijl ze haar kamer uitloopt ziet ze aan de overkant van de gang een deur open staan. Ze schrikt van het gezicht. De man die onvolledig uitgekleed half op zijn bed ligt en half er van af hangt.

Staande in de deur opening probeert ze een ‘meneer?’ uit. Wanneer ze geen gehoor krijgt betreedt ze met enige terughoudendheid zijn kamer. De opgesloten warmte komt haar tegemoet. Ze schakelt het licht in.

Zweetdruppels hangen aan de vingers van zijn hand. Aan zijn diepe ademhaling ziet ze dat hij slaapt. Zijn brede borst gaat op en neer. Gelukkig, denkt ze. Ze kijkt naar zijn gezicht. Ze neemt de tijd om hem op te nemen. Zijn mond is een beetje open. Hij oogt oud; rond de 60 schat ze. Zij probeert hem 20 jaar jonger in te beelden. Het moet een aantrekkelijke man zijn geweest.

Ze staat nu midden in zijn kamer. Benieuwd kijkt ze rond. Zijn portemonnee, trouwring en sleutel liggen op zijn nachtkastje. Hij heeft één leren koffer voor alles. Geen tas.

Ze denkt na over wat te doen. Aan de zijde van zijn bed beseft ze dat ze een voor haar onbekende man in een zeer kwetsbaar moment treft. Ze vraagt zich af waarom ze alleen in zijn kamer staat en niet iemand van het hotel heeft gewaarschuwd.

Ze schudt zijn lijf bij zijn vlezige schouder.

Hij kreunt, mompelt wat en doet dan zijn ogen open. Hij kijkt naar haar.

“Gaat het goed?”, vraagt ze.

“Phoe…” Ze ziet hem om zich heen kijken. Hij weet dat dit zijn kamer is. Zijn pols is even tijdloos.

“Hoe laat is het?”

“11 uur.”

“‘Avond?”

“Ja…”

Ze haalt een glas water uit de badkamer. Hij neemt het glas van haar aan. Hij kijkt naar haar handen. Haar zachte verzorgende handen die je verwacht van een moeder. Hij komt rechtop zitten aan de rand van zijn bed. Hij trekt zijn broek weer omhoog.

“Dank je wel. Ik weet niet wat ik anders zeggen moet. Dit is een beetje ongemakkelijk.”

“Geen dank. De deur was open en ik zag je liggen en je lag vrij stil..”

“De warmte.. Het is zo warm hier.”

Ze loopt naar de hoge ramen en klapt twee ramen wijd open. Lucht.

“Gaat het weer?”

“Luister, het spijt me dat je me zo hebt gezien. Dat ik je deed schrikken. Ik denk dat ik even de kamer uit moet. Wil je mee wat drinken beneden?”

De grote gebruinde man heeft haar een drankje aangeboden. De grote oude gebruinde man die daarnet niet bij zinnen was. Ze kijkt naar de trouwring op het nachtkastje.

Ze draait zich naar hem toe. Ze kijkt hem nu voor het eerst in zijn ogen aan. Zijn groene ogen met bruine vlekjes. Een blik vol kleine pretjes.

 

123

Hij heeft zijn linkerhand onder zijn rechter verscholen. Tot dusver weet hij dat zij inderdaad een drukke baan heeft, gescheiden is, en haar zoon zes jaar oud is. Ze hebben tweeënhalf dranken op. Hij rode wijn. Zij rosé. Hij durft het niet aan om een borrelhapje te bestellen. Een zachte bries passeert en brengt verkoeling.

Zij heeft donker haar dat tot vlak boven haar schouders valt. Ze kijkt naar het opgelichte zwembad dat vanaf de terras te zien is en ‘s avonds een groen-blauwe gloed heeft. Haar bruine ogen spiegelen de golven in het water.

Zij draait zich naar hem.

“Ben je getrouwd?”

“Geweest.”

Hij kijkt weg. Tilt zijn rechthand van zijn linker en hangt hem boven zijn glas.

“12 jaar geleden verloor ik mijn vrouw aan de zee.”

Zij is stil.

“Sindsdien heb ik geen vrouw gehad. Geen vriendin.”

Hij neemt een slok.

“Ik wil geen vrouw. Ik heb een vrouw gehad. De mooiste die er was. Haar geur draag ik overal met mij mee. De warmte van haar liefde voel ik nog iedere dag om mij heen. En overal waar ik haar voel, staart de leegte mij aan. De leegte.. Die leegte is de schaduw van alle rijke herinneringen die ik heb.”

Het is stil. Krekels in de verte. Op het terras zitten niet veel mensen meer. Van binnenuit klinkt er muziek. Drie mannen zitten aan de bar. De twee giechelende dames van vanavond hangen over hun kleurrijke cocktails en bekijken de mannen aan de bar vanaf een veilige nabijheid.

“Ik wil de leegte ontsnappen.”

Hij ziet dat zij onder de indruk is van zijn verhaal. Hij excuseert zich voor de heftigheid van wat hij verteld heeft.

“Ik vind het prachtig hoe je jouw vrouw lief hebt. Ik zag de ring liggen op je nachtkastje. Heb je kinderen?”

“Geen kinderen.”

Hij leunt achterover en kijkt naar de hemel. Hij ziet de sterren en de belichte wolken. Alles daarboven is in beweging.

Voor het eerst sinds tijden voelt hij de vragende blik van de stoel tegenover hem niet.

“Pardon. Ik wil u niet storen, maar we moeten het terras helaas om één uur sluiten. Als u wilt, kunt u binnen nog zitten tot half twee. Ik breng u drankjes dan wel naar binnen.”

“Dank u wel. Dat komt goed.”

Zijn glas is leeg. Haar glas houdt nog een slok in.

“Ik vond het heel mooi om je te spreken. Maar ik ben nu heel moe en mijn kleine is ‘s ochtends vroeg op.”

“Natuurlijk. Dank je wel voor je gezelschap.”

“Geen dank hoor. Hoe lang blijf je hier nog?”

“Tot vrijdag.”

“We kunnen morgenmiddag misschien nog verder praten. Het voelt vreemd dit hierbij te laten. Wij vertrekken overmorgen. ”

Binnen aan de bar is er nog één man overgebleven. Verder is er alleen nog de serveerster en de barman. Ze lopen langs de lange bar naar de lift.

Terug op hun verdieping grabbelt ze in haar handtas naar haar kamerpas. Ze staan bij haar deur.

“Nogmaals bedankt.”

Hij is een kop groter dan zij is. Hij voelt dat hij haar over haar kalme gelaat wil strelen. Zij beweegt een hand naar zijn borst. Zij komt dichterbij staan en kust hem op zijn wang.

Hij draait zich om, loopt zijn kamer in. De leegte tegemoet.

Hij laat de deur open.

Home

Left home and
In the world without roofs and walls I was
To find that home
Is nothing more
Than the collection of memories

Erasmusbrug

Met mijn voeten in het pasgemaaide gras sta ik aan de oever. Ik kijk uit over het water. De donkere rivier wordt overspannen door de met helder licht beschenen Zwaan. Vrij natuurlijk trekt zij mijn blik zodra ik haar opmerk. Het is een eeuwige flirt. Ze is jonger dan ik ben. Voor haar is dat onbelangrijk. Vanaf het eerste moment staat ze trots en aanbiddelijk als het gezicht van de stad, en zal dat blijven zonder een ‘tot en met’ zoals wij sterfelijken die kennen.

Ze is eigenaardig. Ze speelt met een ieder. Met haar lijnen steekt zij af tegen de diepte van de nacht. Hier op afstand ben ik veilig voor haar macht de benen te verzwakken. Zij is op geen manier slechts een civiel technisch bouwwerk. Zij is op geen manier slechts een brug. Daar is ze simpelweg te aanwezig voor in ieders fotoalbum.

Het gaat verder. Soms denk ik wel eens, ik wil haar tot leven brengen. Ik wil graag een strijkstok zo groot hebben dat ik haar tuien kan bespelen. Ik wil haar horen. Ik wil haar verhalen horen. Zij die zoveel leven heeft gezien. Zij die geen dageraad heeft gemist. Zij die een harp is voor de goden. Een stille getuige.

Zou zij gewacht hebben op mij? Op dit moment waarop ook voor haar de tijd niet langer levenloos dwaalt in dezelfde ruimte die zij dient? Zou zij ons in al haar elegantie een rivier van tonen bieden die ons naar een zee van delirische isolatie zou voeren? Zou zij haar verdriet omzetten in een luchttrilling van ongekende magnitude die ons allen zou omstoten?

Ik kijk naar haar. Misschien ís ze wel verdrietig. De vernedering van haar tentoongestelde kruis. Vastgebonden tussen twee oevers. Twee wallen; geen aarde. Ik zie een reflectie van haar. Als ze mijn kant op zou kijken zou ze mij misschien op hetzelfde golvende vlak ontmoeten. Het is echter donker. Haar licht weerkaatst onbeantwoord.

Ik zie een tram over de brug gaan. Een lichtrups die over een blad kruipt. Misschien is ze wel slechts een civiel technisch bouwwerk. Een brug. Een ranke, prachtig ontworpen oeververbinding en niet meer dan dat. De wereld onbekend als de dame die ik noem.

Ze blijft onverveeld op haar wacht. Ze houdt zich statig en stil. Onbewogen. Ik zie haar kunst. Ik hoor haar. Ik hoor haar toch zeker.