Awais

Tijd

Ze liep voor mij uit.
Met haar lonkende benen.
Met haar verleidelijke passen.

Eerst begreep ik niet
dat ik achter haar aan wilde.
En ik groeide op
groot en sterk
haar in te halen.

Haar te verleiden
haar passeren te laten
voor mij.

Maar ze sprak niet terug.
Ze liep door.

Vermoeid, en weemoedig
van onze uitgebleven
ontmoeting,

haakte ik af.

Zij liep door.

Ik niet meer.

123

Hij heeft zijn linkerhand onder zijn rechter verscholen. Tot dusver weet hij dat zij inderdaad een drukke baan heeft, gescheiden is, en haar zoon zes jaar oud is. Ze hebben tweeënhalf dranken op. Hij rode wijn. Zij rosé. Hij durft het niet aan om een borrelhapje te bestellen. Een zachte bries passeert en brengt verkoeling.

Zij heeft donker haar dat tot vlak boven haar schouders valt. Ze kijkt naar het opgelichte zwembad dat vanaf de terras te zien is en ‘s avonds een groen-blauwe gloed heeft. Haar bruine ogen spiegelen de golven in het water.

Zij draait zich naar hem.

“Ben je getrouwd?”

“Geweest.”

Hij kijkt weg. Tilt zijn rechthand van zijn linker en hangt hem boven zijn glas.

“12 jaar geleden verloor ik mijn vrouw aan de zee.”

Zij is stil.

“Sindsdien heb ik geen vrouw gehad. Geen vriendin.”

Hij neemt een slok.

“Ik wil geen vrouw. Ik heb een vrouw gehad. De mooiste die er was. Haar geur draag ik overal met mij mee. De warmte van haar liefde voel ik nog iedere dag om mij heen. En overal waar ik haar voel, staart de leegte mij aan. De leegte.. Die leegte is de schaduw van alle rijke herinneringen die ik heb.”

Het is stil. Krekels in de verte. Op het terras zitten niet veel mensen meer. Van binnenuit klinkt er muziek. Drie mannen zitten aan de bar. De twee giechelende dames van vanavond hangen over hun kleurrijke cocktails en bekijken de mannen aan de bar vanaf een veilige nabijheid.

“Ik wil de leegte ontsnappen.”

Hij ziet dat zij onder de indruk is van zijn verhaal. Hij excuseert zich voor de heftigheid van wat hij verteld heeft.

“Ik vind het prachtig hoe je jouw vrouw lief hebt. Ik zag de ring liggen op je nachtkastje. Heb je kinderen?”

“Geen kinderen.”

Hij leunt achterover en kijkt naar de hemel. Hij ziet de sterren en de belichte wolken. Alles daarboven is in beweging.

Voor het eerst sinds tijden voelt hij de vragende blik van de stoel tegenover hem niet.

“Pardon. Ik wil u niet storen, maar we moeten het terras helaas om één uur sluiten. Als u wilt, kunt u binnen nog zitten tot half twee. Ik breng u drankjes dan wel naar binnen.”

“Dank u wel. Dat komt goed.”

Zijn glas is leeg. Haar glas houdt nog een slok in.

“Ik vond het heel mooi om je te spreken. Maar ik ben nu heel moe en mijn kleine is ‘s ochtends vroeg op.”

“Natuurlijk. Dank je wel voor je gezelschap.”

“Geen dank hoor. Hoe lang blijf je hier nog?”

“Tot vrijdag.”

“We kunnen morgenmiddag misschien nog verder praten. Het voelt vreemd dit hierbij te laten. Wij vertrekken overmorgen. ”

Binnen aan de bar is er nog één man overgebleven. Verder is er alleen nog de serveerster en de barman. Ze lopen langs de lange bar naar de lift.

Terug op hun verdieping grabbelt ze in haar handtas naar haar kamerpas. Ze staan bij haar deur.

“Nogmaals bedankt.”

Hij is een kop groter dan zij is. Hij voelt dat hij haar over haar kalme gelaat wil strelen. Zij beweegt een hand naar zijn borst. Zij komt dichterbij staan en kust hem op zijn wang.

Hij draait zich om, loopt zijn kamer in. De leegte tegemoet.

Hij laat de deur open.

Over vuurwerk valt er niet te zwartepieten

De viering van het nieuwjaar gaat in Nederland op een nog al eigen aardige manier. Vuurwerk is overal in het land toegestaan. Dit levert berichten op over bijvoorbeeld twee jongens in Brielle (19 en 26) die de lokale supermarkt wilden opblazen. Thuis werd er bij hun 50 kilo aan vuurwerk gevonden. Gelukkig werd de supermarkt deze malaise bespaard. Op ieder andere dag van het jaar zou een dergelijk duivelsplan terrorisme heten. Maar ja, nieuwjaar hè.

‘Rustig verlopen’. Het is alsof de persberichten van de politie reeds voor de volledigheid van dit centennium zijn gedrukt en waarboven slechts de laatste twee cijfers van het nieuwjaar ingevuld dienen te worden. En verzenden maar. Dat ‘rustige verloop’ daar wil ik even bij stilstaan. Maar voor dat ik dit doe, nog even wat anders.

De Telegraaf, ons nationaal verontwaardigingscollectief, heeft er een punt van gemaakt. Vuurwerkoverlast. Iedere dag een passende lettergrootte om het aantal meldingen op het meldpunt vuurwerkoverlast bekend te maken. 10.000! 11.000!! 40.000!! 60.000!! Totdat de cijfers op mijn scherm explodeerden. Vanwaar ineens de behoefte van de Telegraaf om zich in het GroenLinks anti-vuurwerk kamp te voegen? Daar heb ik geen antwoord op. Maar een verbod nadert. Want we weten dat wanneer de Telegraaf haar vadsige lijf gevuld met volkscynisme er tegenaan gooit, dat zelfs de meest onbewogen tegenstanders van een vuurwerkverbod aan het wankelen worden gebracht.

De reactie op dit meldpunt en het vuurwerkverbod zijn minstens zo intensief als rond dat andere taboe: zwarte piet. Dit hoort bij Nederland. Weer wordt er ingehakt op onze tradities. Wie zijn wij nog als volk met zo’n verbod? En bovendien zijn er niet meer dringende zaken waar wij ons druk om moeten maken? Vuurwerkoverlast meldpunt? Dat zouden ze in Syrië moeten doen. Enzovoorts. Ergens had ik het gevoel dat de mensen die zo vocaal zijn tegen een verbod, niet per sé zelf vuurwerk afsteken. Ze zijn vooral tegen het verbod omdat het een verbod is. Dit begrijp ik heel goed. Een mens wil zo vrij mogelijk zijn.

En hier wringt nu juist de schoen waar men graag vrij op loopt. Vuurwerk zorgt voor veel overlast. Het vervuilt de straten en de lucht. Het wordt gebruikt om mensen te intimideren. Het zorgt ieder jaar weer voor grote materiële schade. En alle fysieke ongemakken niet te vergeten. Van ledematen tot blindheid. De enorme kosten van dit alles zijn voor de rekening van de maatschappij. Als burger ben je verplicht om mee te betalen aan dit toegestane vandalisme. Of je nu wel of geen vuurwerk afsteekt.

Maar, een vuurwerkverbod is niet de moeder van alle oplossingen voor dit oud en nieuw vandalisme. Om terug te komen op het ‘rustige verloop’ waar de politie het over had: in datzelfde nieuwsbericht spreekt men over een twintigtal afgebrande auto’s. Over geweld tegen hulpverleners. Geweld tegen mensen. Vernielingen van private eigendommen. Het werkelijke probleem is dat de politie al deze feiten schaart onder de noemer ‘rustig verloop’. Dit gaat niet over vuurwerk. Dit gaat over de cultuur in ons land.

Loop met mij onze zuidelijke grens over waar we de gemoedelijke Belgen treffen. Geen vuurwerkverbod en het meest noemenswaardige incident – en ja, in België is een incident werkelijk een incident – was een trein die bestookt werd met vuurpijlen. En dat was het. Niets meer. In Frankrijk vlogen er 1.193 auto’s in brand. Vuurwerk is verboden in Frankrijk. De politie aldaar zegt dat dit niet ongebruikelijk is voor de jaarswisseling. Of in normaal Nederlands: ‘de nacht is rustig verlopen’.

Ik vrees dat we verblind raken door het bombastische vuurwerk en geen oog meer hebben voor het gebrek aan beschaving. Wij als land accepteren geweld. Wij vinden dit ‘rustig verlopen’. Minder vuurwerk in minder handen zal absoluut helpen veel overlast terug te dringen. Schonere straten, schonere lucht en minder opgeblazen bushokjes. Maar dit lost niet het onderliggende probleem op. Een vuurwerkverbod kan niet het afgebeten oor van een Rotterdamse politieagent terugplaatsen.

pruiken

Gareth Williams was codekraker voor de MI6, de Britse inlichtingendienst. Hij werd in augustus 2011 levenloos in zijn appartement in London gevonden. Opgesloten in een sporttas. Hij kon niet op tijd bij het sleuteltje dat onder hem kwam te liggen.

Hij is niet de eerste die in een opvallende houding dood gevonden wordt. Meestal zijn dit soort berichten vooral goed om de sectie ‘opmerkelijk’ van de nieuwssites te vullen. In zijn geval, hij was een spion, is er een extra dimensie.

Al vrij snel na zijn overlijden verschenen de eerste theorieën over moord. Buitenlandse inlichtingendiensten of zijn werkgever zouden erachter kunnen zitten. Anderen hielden het op een auto-erotisch incident. De lijkschouwer kon niet uitsluiten dat hij misschien vermoord is door een “inlichtingendienst” en dat onderzoek langs die lijn nodig was. De MI6 hield zijn dood enkele weken stil, zo bleek achter af. Ook dit voedde het speculeren.

Schotland Yard werd er bijgehaald om de zaak opnieuw te onderzoeken. Zij haalden er experts bij die de rechercheurs toonden dat het mogelijk was om jezelf op te sluiten in een soort gelijke sporttas. De rechercheurs sloten recentelijk de zaak af met de conclusie dat het een ongeluk was. Er waren geen aanwijzingen die een moord deden vermoedden.

Dat hij een dergelijk dood tegemoet is gekomen op zijn 31ste is schokkend. Zijn laatste momenten bestonden waarschijnlijk uit pure paniek. Waarom hij het deed? Dat zullen we nooit weten.

Wat mij het meest stoort in de berichtgeving is de type informatie die naar buiten is gekomen. Over zijn zoekgeschiedenis en daaruit schijnbare interesses. Over videobeelden die hij privé achtte. Over bepaalde kledingstukken die vooral zijn dood smeuïg maken. Over de schoenen en zijn pruiken.

Gareth Williams is in een zeer ongemakkelijke positie overleden. Jong ook. Dat is al erg genoeg. Maar dat er na zijn dood alles open wordt gegooid en wordt gepubliceerd door journalisten is mij een raadsel. De dood van een spion is het onderzoeken waard. Echter een dode verdient zijn respect en zijn privacy. Hij kan zich immers niet verdedigen tegen het beeld dat op deze manier wordt neergezet. Of het beeld nu klopt of niet, er zijn grenzen aan fatsoen. Zelfs voor journalisten.

Read the rest of this entry »

122

Na haar kleine een nachtkus te hebben gegeven loopt zij haar hotelkamer uit. Ze wil naar buiten. Of naar een bar. De nasmaak van de warme avond nodigt haar uit tot een drankje.

Terwijl ze haar kamer uitloopt ziet ze aan de overkant van de gang een deur open staan. Ze schrikt van het gezicht. De man die onvolledig uitgekleed half op zijn bed ligt en half er van af hangt.

Staande in de deur opening probeert ze een ‘meneer?’ uit. Wanneer ze geen gehoor krijgt betreedt ze met enige terughoudendheid zijn kamer. De opgesloten warmte komt haar tegemoet. Ze schakelt het licht in.

Zweetdruppels hangen aan de vingers van zijn hand. Aan zijn diepe ademhaling ziet ze dat hij slaapt. Zijn brede borst gaat op en neer. Gelukkig, denkt ze. Ze kijkt naar zijn gezicht. Ze neemt de tijd om hem op te nemen. Zijn mond is een beetje open. Hij oogt oud; rond de 60 schat ze. Zij probeert hem 20 jaar jonger in te beelden. Het moet een aantrekkelijke man zijn geweest.

Ze staat nu midden in zijn kamer. Benieuwd kijkt ze rond. Zijn portemonnee, trouwring en sleutel liggen op zijn nachtkastje. Hij heeft één leren koffer voor alles. Geen tas.

Ze denkt na over wat te doen. Aan de zijde van zijn bed beseft ze dat ze een voor haar onbekende man in een zeer kwetsbaar moment treft. Ze vraagt zich af waarom ze alleen in zijn kamer staat en niet iemand van het hotel heeft gewaarschuwd.

Ze schudt zijn lijf bij zijn vlezige schouder.

Hij kreunt, mompelt wat en doet dan zijn ogen open. Hij kijkt naar haar.

“Gaat het goed?”, vraagt ze.

“Phoe…” Ze ziet hem om zich heen kijken. Hij weet dat dit zijn kamer is. Zijn pols is even tijdloos.

“Hoe laat is het?”

“11 uur.”

“‘Avond?”

“Ja…”

Ze haalt een glas water uit de badkamer. Hij neemt het glas van haar aan. Hij kijkt naar haar handen. Haar zachte verzorgende handen die je verwacht van een moeder. Hij komt rechtop zitten aan de rand van zijn bed. Hij trekt zijn broek weer omhoog.

“Dank je wel. Ik weet niet wat ik anders zeggen moet. Dit is een beetje ongemakkelijk.”

“Geen dank. De deur was open en ik zag je liggen en je lag vrij stil..”

“De warmte.. Het is zo warm hier.”

Ze loopt naar de hoge ramen en klapt twee ramen wijd open. Lucht.

“Gaat het weer?”

“Luister, het spijt me dat je me zo hebt gezien. Dat ik je deed schrikken. Ik denk dat ik even de kamer uit moet. Wil je mee wat drinken beneden?”

De grote gebruinde man heeft haar een drankje aangeboden. De grote oude gebruinde man die daarnet niet bij zinnen was. Ze kijkt naar de trouwring op het nachtkastje.

Ze draait zich naar hem toe. Ze kijkt hem nu voor het eerst in zijn ogen aan. Zijn groene ogen met bruine vlekjes. Een blik vol kleine pretjes.

Quote

People who look good wearing anything, look the best wearing nothing.

121

De biefstuk is mals. Even staat hij stil bij het behandelen van dit vlees door een onbekende in een witte katoenen jas met rood-bruine vlekken achter in de keuken op een aluminium aanrecht met een roestvrij stalen hamer. En dan de pan in. De koe was de slaag volledig waard. Ieder klap komt tot zijn recht in de rijke smaak die in vaste en vloeiende vorm uiteindelijk via zijn tong in zijn maag belandt. En hij denkt: Zo heb ik er niet eerder over nagedacht. En geniet.

De fles rode wijn op tafel is als een zandloper van zijn nuchterheid.

“Lust u nog een dessert, mijnheer?”
Na een vluchtige blik op de kaart: “De verrassing van de chef graag. En nog zo’n fles.”

Hij kijkt om zich heen. Een man met een hoofd vol zilveren naalden zit aan tafel met een jongere vrouw. De man schuift zijn hand onder de hare vandaan. Verderop lachen twee vrouwen, van wie één telkens een servet voor haar mond houdt. De andere vrouw slikt nog snel haar wijn door voor ze voluit schatert. Hij ziet veel stellen en een paar gezinnen. Hij buigt zijn hoofd en sluit zijn ogen.

Zijn kleurrijke desert wordt geserveerd. Suiker en vet in onherkenbare vormen en toch zo vertrouwd. Hij keurt de wijn. Zijn glas wordt voor hem ingeschonken. Hij neemt een slok gevolgd door een hap en laat zijn tong strijden om twee liefdes. Zijn maag is minder verschillig.

De lege stoel tegenover hem kijkt hij hoopvol aan. Ieder maal weer. In afwachting van een meer gewenste bezetting. Hij wenst zichzelf en al die hongerige stoelen met hem, wat appetijtelijks toe. Meteen denkt hij terug aan de vrouw bij het zwembad.

Hij schuift zijn stoel naar achter en kijkt nog een keer naar de twee vrouwen. Ze hebben nog steeds het plezier van twee giechelende meisjes in een levensgroot poppenkast. Hij staat op en loopt langs ze heen naar de lobby. Zijn vervlogen nuchterheid zoekt naar een vaste, maar zachte ondergrond. Een matras. Hij gaat naar zijn kamer.

Op zijn kamer is het erg benauwd. De ramen waren de hele avond dicht en de airco uit. Hij loopt meteen naar het bed. De kalfsleren riem neemt zijn broek mee naar zijn enkels wanneer hij er een ruk aan geeft. Zweet breekt hem uit. Duizelend gaat hij zitten aan de rand van zijn bed. Zijn vingers proberen de knopen van zijn overhemd los te wippen. De warmte op zijn kamer wordt hem echter te veel en valt achterover. Zijn handen vallen naast zijn lijf.

de kade

Aan de kades van mijn stad meren liefdes aan. Het zijn dakloze liefdes. Liefdes die leven in stalen kooien en kwetsbare harten. Hier aan de kade staat alles voor even stil. Voor even samen.

Dromerige silhouetten die elkaar opzoeken in het gemeden licht. Opgesloten in hongerige armen. Besloten tussen vier ogen. Bevochtigd met rode lippen en roze tongen. Dampende lijven en beslagen ruiten.

Hier aan de kade raakt de hoop geïnfecteerd door het verhaal van het water dat zich ongemakkelijk een weg baant door het droge land op zoek naar open zee. De open zee waar water geen vreemde is. De open zee waar het water niet ingekaderd is.

Verboden en verbannen. Verliefd en vertrouwd. Verklaard en verhuld. Verdronken en verloren.

De magie van deze liefelijke momenten wordt gebroken door het kale geluid van het vastklikken van gordels. Vastgeriemd in de realiteit. Tot de volgende ontmoeting in het donker. Op deze grens van het onbewogene en het bewogene.

Wij niet

Wij respecteren je niet.
Wij accepteren je niet.
Wij tolereren je niet.
Wij moeten je niet.
Wij voelen je niet.
Wij horen je niet.
Wij willen je niet.
Wij laten je niet.
Wij zien je niet.

–Daar kan ik mee leven.

–Wij niet.

Sacred

Everything scarce eventually becomes sacred.