Sprakeloos II

Elk woord
is een metafoor

Elk woord
is een beeldspraak

Zoeken doe ik
naar de juiste vergelijking
naar de liefste beschrijving
naar de woordelijke belijving

Vinden doe ik.
Niet.
Nooit.

Wolk

Ik zie haar
op een wolk
en droom.

Ik wil bij haar zijn.

De zon schijnt.
De wolk schijnt.

Ik beeld me
op een wolk
zo hoog

als

de hare.

Varen wil ik
tot onze wolken
één wolk
zijn.

Eindeloos.
Licht.

Op onze wolk.

Afwezigheid

Ik reik naar je hand,
maar beleef,
zonder jou,
verbeeldingen.

Ik pik de vleugels,
van de bloemen
en je geur
die je met me laat.

Ik raad naar je mond,
naar je woorden
je lippen
die de mijne arresteren.

Jij doet mij leven.

Meisje, ik droom je.
Ik lach je. Ik voel je.
Ik mis je.

Meisje, ik geniet van je.

Ik geniet groots.
Ik geniet onbeperkt.

Van jou.
Van jouw

Afwezigheid.

Grijpen

Grijpen wil ik het.

Ik wil mijn handen er omheen krijgen.
En nooit meer los laten.

Maar dat kan niet.
Dat kan niet.

Grijpen kan niet.

Ik wil het begrijpen dan.
Ik wil het begrijpen.

Maar het begrip gaat gekleed in onbegrip.
Het begrip gaat gekleed in onbegrip.

Vragen

Als vragen duiden op gebrek aan kennis, dan duiden ze vooral op de honger naar kennis. Vragen zijn krachtig. Omdat ze twijfel kunnen verwoorden. Omdat ze geloof kunnen verzetten. Omdat ze mensen kunnen doen huilen.

Het eerste wat een dictator na zijn (ik gebruik ‘zijn’, omdat het altijd mannen zijn..) machtsovername verbiedt, is het stellen van vragen. Vragen zijn machtig. En als je macht monopoliseert, dan kun je dat niet doen zonder mensen een dergelijk verbod op te leggen.

Vragen maken mensen gelijk. We hebben ze namelijk allemaal. Vragen onderscheiden ons ook van dieren. En toch ook niet. Want wij weten heel goed hoe krachtig een vraag kan zijn. Vragen als dolken. Vragen als vlammen in de pan. Vragen als de meest desastreuze atoombom. We zijn bang voor vragen. Om ze te stellen, om ze te horen.

Veel van onze huldigingen gaan ook uit naar mensen die wel vragen durven te stellen. We vinden mensen knap als ze dingen durven die wij zelf niet durven. Mensen die van de vinding van vuur, tot de iPhone en verder vragen zijn blijven stellen. Vrijheidsstrijders die volken konden inspireren door luid op naar hun recht te vragen en revoluties te leiden. Journalisten die in democratieën bedriegende politici ten val brachten. Dat vinden we allemaal knap en goed. Maar zelf je baas vragen naar je weggebleven loonsverhoging, of dat meisje in het paars uit vragen, of je vriend vragen waarom ook niet.

Confrontaties gaan we graag uit de weg. Liever leven op je knieën dan willen sterven op je voeten. Daarom volgen we liever de alpha, dan dat we tot de omega erop los vragen. Daarom is Balkenende bang voor vragen rond Irak. Daarom heb ik mijzelf als kind geslepen in de kunst van het liegen, om maar niet de vragen te hoeven horen. Daarom is het moeilijkste in communicatie het stellen van de vraag. Dé vraag.

Vragen, mijn vrienden,
is de reinheid van vriendschap.

Vragen, mijn duiven,
is jullie rauwe liefdeserts.

Vragen, mijn broeders en zusters,
is de blinde, doofstomme gelijkheid.

Vragen, mijn god,
is het absolute geloof in ongeloof.

Vragen, mijn betweters,
is wat volgt op ieder antwoord.

Ow, ik heb zelf nog wel een vraag. Waarom ben ik soms zo verdomd vaag?

Woorden van jou

Zijn deze woorden van mij? Ik ben de schrijver, ik ben de denker. Ik geef deze woorden plaats. Maar zijn ze ooit van mij?

Ik zal nooit eigenaar zijn van welk woord dan ook. Ik word gebruikt om de woorden te delen. Geef mij een toetsenbord en ik zal muziek maken. Klinked als een verhaal, of een gedicht, een bezwaar of een inzicht.

Ik denk dat woorden mij gebeuren. Net als het weer, net als de vrouw met haar kat in de trein, net als het overvliegen van een meeuw, net als jij die dit leest.

Je neemt dit op, je houdt dit bij je. Je bent besmet door de gedachte. Neem deze woorden en geef ze weer een mooie plaats.

Vredig vermoord

In een zonnig park
op een eiland,
lag hij te bakken
in het gras.

Bang voor slangen
dat hij was,
hield hij een
groot mes in zijn tas.

Met gesloten ogen
en een leeg glas,
dacht hij toch écht
dat dit het was.

Hij werd nooit wakker
door de kras,
compleet en vredig
in zijn bloedplas.