de kade

Aan de kades van mijn stad meren liefdes aan. Het zijn dakloze liefdes. Liefdes die leven in stalen kooien en kwetsbare harten. Hier aan de kade staat alles voor even stil. Voor even samen.

Dromerige silhouetten die elkaar opzoeken in het gemeden licht. Opgesloten in hongerige armen. Besloten tussen vier ogen. Bevochtigd met rode lippen en roze tongen. Dampende lijven en beslagen ruiten.

Hier aan de kade raakt de hoop geïnfecteerd door het verhaal van het water dat zich ongemakkelijk een weg baant door het droge land op zoek naar open zee. De open zee waar water geen vreemde is. De open zee waar het water niet ingekaderd is.

Verboden en verbannen. Verliefd en vertrouwd. Verklaard en verhuld. Verdronken en verloren.

De magie van deze liefelijke momenten wordt gebroken door het kale geluid van het vastklikken van gordels. Vastgeriemd in de realiteit. Tot de volgende ontmoeting in het donker. Op deze grens van het onbewogene en het bewogene.

Erasmusbrug

Met mijn voeten in het pasgemaaide gras sta ik aan de oever. Ik kijk uit over het water. De donkere rivier wordt overspannen door de met helder licht beschenen Zwaan. Vrij natuurlijk trekt zij mijn blik zodra ik haar opmerk. Het is een eeuwige flirt. Ze is jonger dan ik ben. Voor haar is dat onbelangrijk. Vanaf het eerste moment staat ze trots en aanbiddelijk als het gezicht van de stad, en zal dat blijven zonder een ‘tot en met’ zoals wij sterfelijken die kennen.

Ze is eigenaardig. Ze speelt met een ieder. Met haar lijnen steekt zij af tegen de diepte van de nacht. Hier op afstand ben ik veilig voor haar macht de benen te verzwakken. Zij is op geen manier slechts een civiel technisch bouwwerk. Zij is op geen manier slechts een brug. Daar is ze simpelweg te aanwezig voor in ieders fotoalbum.

Het gaat verder. Soms denk ik wel eens, ik wil haar tot leven brengen. Ik wil graag een strijkstok zo groot hebben dat ik haar tuien kan bespelen. Ik wil haar horen. Ik wil haar verhalen horen. Zij die zoveel leven heeft gezien. Zij die geen dageraad heeft gemist. Zij die een harp is voor de goden. Een stille getuige.

Zou zij gewacht hebben op mij? Op dit moment waarop ook voor haar de tijd niet langer levenloos dwaalt in dezelfde ruimte die zij dient? Zou zij ons in al haar elegantie een rivier van tonen bieden die ons naar een zee van delirische isolatie zou voeren? Zou zij haar verdriet omzetten in een luchttrilling van ongekende magnitude die ons allen zou omstoten?

Ik kijk naar haar. Misschien ís ze wel verdrietig. De vernedering van haar tentoongestelde kruis. Vastgebonden tussen twee oevers. Twee wallen; geen aarde. Ik zie een reflectie van haar. Als ze mijn kant op zou kijken zou ze mij misschien op hetzelfde golvende vlak ontmoeten. Het is echter donker. Haar licht weerkaatst onbeantwoord.

Ik zie een tram over de brug gaan. Een lichtrups die over een blad kruipt. Misschien is ze wel slechts een civiel technisch bouwwerk. Een brug. Een ranke, prachtig ontworpen oeververbinding en niet meer dan dat. De wereld onbekend als de dame die ik noem.

Ze blijft onverveeld op haar wacht. Ze houdt zich statig en stil. Onbewogen. Ik zie haar kunst. Ik hoor haar. Ik hoor haar toch zeker.

Liefde voor Oorlog

De bitterzoete oorlog is bitter en zot.

Er wordt gevuurd met vlinders. De granaten versplinteren zich tot boeketten van kleurrijke bloemen. Duiven vliegen over en werpen zinderende bommen van vloeiend caramel. Martelaars grijpen in hun borstkas en rukken hun laatste wapen uit het lijf: hun gevulde hart.

Dit is het verhaal van een oorlog zonder front. Een oorlog leger dan vele soldaten. Een strijd zonder krachten. Een strijd zonder macht.

Dit is het verhaal van een man en een vrouw op een klein veld in een groot gebied ergens heel dichtbij in een land ver weg.

Lovers at the Lake | Part 4

Een verre lantaarn beschijnt haar gezicht. Ze is gespannen.

Hij komt dichtbij haar staan. Zijn handen zwaaien klein in de lucht. Maken aanstalten haar te strelen, of te raken, maar doen niets. Hij legt ze in elkaar voordat hij ze laat hangen langs zijn zij. Al laat hij zijn vingers wel krullen tot een losse vuist.

“Ik houd van jou.”

Zijn handen openen zich meteen. Zij zet een stap naar achter, alsof ze van haar plaats wordt geduwd door zijn woorden. Hij reikt uit.

Ze opent haar mond om verder niets te zeggen.

“Ik wil dit met je doen. Ik ben nieuw. Ik zal van je leren. Ik wil dit met niemand anders dan met jou, Sara.”

Ze zet weer een stap naar hem toe. Ze voelt zich licht. Ze voelt zich knap. Ze voelt zich om van te houden. Ze voelt zich een kracht.

Hij pakt haar beet en trekt haar naar zich toe. In zijn armen draagt zij haar antwoorden naar zijn linkeroor.

“Ik houd ook van jou. Ik wil je helpen. Ik wil alles doen wat nodig is om dit vast te houden.”

“Je hebt een groot hart, Sara.”

Zij kijkt hem aan. Ziet weer de verliefde kijkers op haar. Zij voelt zich onzeker over de toekomt. Er staat geen garantie op deze liefdestransactie. Maar iedere seconde dat ze dit heeft, dat ze hem voor zich heeft, is een feest. Zij merkt dit moment als groots.

Hij kijkt haar aan. Hij ziet zichzelf niet meer.

Haar gezicht is in zijn handen. Het mooiste gezicht die zijn handen hebben gedragen. Ze kussen intens. Ze nemen elkaar in een greep die alle twijfel bij elkaar weg moet nemen. Ze drukken de lippen zo stevig mogelijk op elkaar.

Hij laat los, draait zich om, rent, neemt een sprong, en duikt zo het meer in. Hij doorbreekt haar schild en het meer antwoord hem voor het eerst. Het meer fluistert hem al haar geheimen toe. Het meer geeft haar nog een knipoog.

Zij worden nooit meer gevonden.

Lovers at the Lake | Part 3

De afgelopen tijd heeft zijn brein ieder hersencel wel ingezet om te begrijpen wat zijn hart nu verlangt. Het is eng om jezelf te leren kennen. Verliefd is hij wel vaker geweest. Maar nooit heeft hij het zo dwingend gevonden.

Met lange trage stappen loopt hij naar het meer. Hij loopt tot waar het water komt. De keien houden zijn voeten droog. Met de invallende nacht, kleurt het meer van oranje naar donker. Vragend kijkt hij naar het meer. Vertel op, of ik drink je op. Maar het meer blijft stil. Het koelt af van de zomer. En heeft het daar maar druk mee.

Het meer heeft een bijzonder vermogen. Het meer flirt overdag met de zon, ‘s nachts met de maan. En tussendoor is het vooral bekeken door mensen. En dieren. Het meer heeft vele gezichten gezien, door al die jaren heen. Vele snuiten, vele handen. Het meer heeft mensen op bootjes mogen wiegen. Wolken over zich heen zien varen. En hier en daar dan die vragende blik.

In het meer ziet hij een silhouet van zichzelf. Een uitgerekt donker evenbeeld. Dit ben ik, denkt hij. Nergens anders. Het meer weerkaatst ieder van zijn vragen met het beeld die hij met zijn aanwezigheid creëert. Het transparante van het water is haar sociale schild. Daaronder is het diep. Gevaarlijk diep.

Hij kijkt op. De zon is definitief onder. Geen maan vandaag. Geen wolken. Hij draait zich om.

Zij heeft hem daar zien staan. Het valt haar op dat zijn stappen minder lang zijn.

Besloten. Hij kan niet lief hebben. Alleen zichzelf. Tot vandaag, tot nu, tot het meer heeft hij zichzelf kunnen bedriegen. Nu niet meer. Zij is slechts een spiegel voor de oneidigheid van zijn ego. Net als het meer. Net als alles dat hem zijn eigen onovertroffen schoonheid laat zien.

Hij heeft niemand meer nodig. Nooit gehad ook. Niet sinds zijn vader hem dit op zijn borst had gedrukt. De afwaardering van de wereld om hem heen werd toen ingezet.

Zij staat weer op. Ze loopt naar hem toe. Zij wil het nu weten. Nu.

Hij kijkt op. Voor het eerst ziet hij een persoon. Een mooi mens. Dat lange haar. Haar groene rok. Een vrouw met een hart, een verstand, een ziel en liefde voor hem. Hij richt zich op tot haar. Tijd om een man te zijn.

[Finale volgt]

Lovers at the Lake | Part 2

“Laten we naar het meer gaan. We pakken onze spullen en zijn morgenavond weer terug.”

En hier zijn ze dan. Aan het meer. Geslapen in de ochtend, genoten in de middag, gesproken in de avond.

“Het liefst zie ik je nooit meer. Hoor ik nooit meer van je en besta je voor mij niet meer. Het is leuk geweest. Maar ook genoeg geweest.”

Hij weet niet waarom hij dit luid op tegen haar zegt. Voor zo lang hij het kan wil hij met haar zijn. Van haar bestaan gelukkig worden.

“Bij je blijven is als..”

Hij zoekt.

“..ik wíl bij je blijven. Snap je?”

“Nee, niets ervan. Wat zeg je allemaal? Heb je geblowd?”

Stoned is hij wel. De liefde voor zichzelf die hij bij haar voelt is zo zoet dat hij er bedweld door raakt. En dat wil hij niet.

“Sara, probeer me te volgen.”

Een onmogelijk opgaaf.

“Ik voel mij, sinds we elkaar zo zijn gaan zien, fucking gelukkig. Echt waar. Ik weet me niets mooiers te bedenken dan mijn tijd met jou te vermenigvuldigen.”

“WAAROM DAN??”

“Ja.. waarom… Waarom? Waarom vind ik je leuk? Waarom kan ik niet stoppen denken aan je? Waarom droom ik zonder te slapen?”

“Nou.. waarom?”

“Je maakt het me niet gemakkelijk, hè. Je vraagt om antwoorden die ik zelf niet heb.”

“Waarom, leg me dat uit, zeg je dat je me nooit meer wilt zien dan?”

“Dat neem ik terug. Ik heb dat nooit gezegd. Maar de waarheid is: ik heb het wél gezegd, en eigenlijk kan ik het nooit meer terug nemen.”

“Ik ga weer naar de hut. Spreek je morgen wel.”

Zij staat op uit haar stoel en kijkt naar de hut. Hij staat op, grijpt haar arm. Ze laat los. Ze gaat wel weer zitten.

Zij kan niet weg. Hij ook niet. Maar blijven voelt nu ongemakkelijk.

[wordt vervolgd]

Lovers at the Lake

“Het ene moment vind je mij de mooiste. Fluister je me de liefste woorden. Laat je mijn hart sneller kloppen. Mijn bloed naar plekken gaan in mijn lijf waar ik dolgelukkig van wordt. Mijn hersenen bedwelmt met alles wat je me geeft.”

Ze vervolgt.

“En nu dan? Hoe ben ik anders? Waarom kan ik je maar niet begrijpen? Wat wil je toch?”

“Weet je, ik heb nagedacht. En.. ik wil je lief hebben. Zoveel als ik kan.”

“Je maakt me alleen onrustig. Ongemakkelijk. Plat bijna.”

“Meisje, kom hier.”

Ze kijkt hem aan. Ze weet niet beter dan zich goed te voelen in zijn armen.
Maar vandaag lijkt hij nergens naar.

“Kom hier? Ik wil je begrijpen, maar je bent niet te volgen.”

Haar beste vriendin had haar al gewaarschuwd. “Meisje, hij gebruikt je alleen maar. Het is gewoon een player.”
Maar het meisje weet beter. Hij heeft meer dan alleen praatjes. Hij heeft verhalen en conversaties. Hij begrijpt haar ideeën, haar gevoelens en de muziek op haar iPod.

“Ok. Laat ik jou vragen. Waarom vind jij me leuk? Waarom wil je me zo vaak zien? Wat beteken ik voor jou? Dat meen ik.”

Hij wordt onzeker. Zijn gevoel is het laatste waar hij vertrouwen in heeft. Hij is in de rug afgesloten door muren van liefde en zijn eigen geweten. Verliefdheid heeft hem in eerste instantie in die hoek gekregen. Hij voelt zich er niet thuis. Hij wil haar, maar niet de angst.

“Gewoon. Je.. luistert. Meestal dan. En je begrijpt me, wanneer anderen dat niet doen. Je bent mooi. En ik vind je ook lief. En je geur. Weet ik veel.. Ik voel het. Ik voel me gelukkig bij jou.”

“Dank je wel. Lief dat je dit zegt.”

Altijd fijn om iets positiefs over jezelf te horen. Hij voelt zich beter. En dat is het probleem.

“Meisje, ik wil je bij me hebben.”

Hij buigt zich voorover. Ze kussen. Met een hand strelend over haar gezicht vervolgt hij.

“Het liefst zie ik je nooit meer. Hoor ik nooit meer van je en besta je voor mij niet meer. Het is leuk geweest. Maar ook genoeg geweest.”

[Wordt vervolgd]

Een nacht in Shanghai IV

“Martin, kom op! Kom fucking op, ok??”

“Sorry. De vorige keer ging het geld op aan een album dat matig verkocht, en aan jullie overmatig alcoholgebruik, gefeest en de drugs. En daar willen wij niet..”

“Shit! Zijn wij zo cliché? Luister, het laatste album was kut omdat we te weinig kregen. Een kutproducer, jullie keus, kutmarketing, jullie werk, en vervolgens al dat gekut van jullie met foto’s in kutbladen. En dan zijn jullie nog verbaasd over de kutuitkomst? Dit keer bepaalt mijn gitaar en niet je fucking stropdas wat de mensen zullen krijgen. Fresh Rust, baby. Fresh Fucking Rust!”

“Zie je het dan niet? Ben je wel nuchter genoeg om dit te bevatten: jullie zijn over.”

Hij heeft opgehangen. Wat een lul. Tja, wat doe je eraan?

Mijn bord is al wat kouder geworden. Tonijnsteak en pasta. Zolang het bier kouder blijft.

Op de achtergrond staat de televisie aan. Ik kan niet horen wat het is. Alsof ik de show trouwens zou herkennen als ik het wel kon horen. Daarvoor kijk ik te weinig. Het is meer een middel tegen eenzaamheid.

Iets meer van de romige tomatensaus zou goed zijn. Hij is lekker scherp geworden. Ik sta op en loop naar de keuken. De pan staat naast het fornuis.

De bel gaat. Ik schep nog even snel op.

Het is bijna negen uur en de buurman zou nog langskomen om een versterker te lenen. De deur.

“Hi.”

Ik weet niet wat ik nu moet denken of voelen. Dit is.. dit is vrij onverwachts. Wauw. Mijn hart leeft op. Mijn buik voelt weer raar. Mijn benen zijn er vandoor. Ik voel ze niet.

“Jij?”

Na al die maanden van onbeantwoorde brieven en voicemails op 3 verschillende telefoonnummers. Van gesloopte vazen en het kastje op de gang. Van depressie, whisky, katers en gedonder. Hier is ze dan.

“Ik.”

Wat heeft zij toch met onaangekondigd verschijnen. Het geeft haar een aura van een illusionist. Terwijl de ware illusionist aan deze kant van de drempel staat. Ik had mijn trouw aan haar iets te goed verstopt. En zij kon alleen maar gissen hoe dat had kunnen gebeuren.

“Ehm.. je bent nat. Kom binnen.”

Het regent nu al een week. Maar ik denk dat dat ons beide niet zo bedroefd heeft als de onweer in ons hart.

Ze loopt naar de woonkamer. Ze draagt laarzen en een leren jas. Wat is ze toch mooi. Dit was mijn vrouw. Mijn mooiste meisje, mijn lievelingsijsje. Ik ben weer verliefd. Als dit een bar zou zij, zou ik dit keer op haar afstappen. Ik zou niet weten wat ik tegen haar zou zeggen. Het enige wat ik vanaf dan zou willen is geen moment van haar zijde wijken.

“Kerel, heb je nog wat rosé?”

“Ik denk het wel. Misschien nog een fles. Ergens. Ik heb een fles rood open?”

“Ook goed.”

“Je jas..”

“Ik weet het hier allemaal nog wel te vinden. Dank je wel.”

“Hannah, hoe is het? Hoe gaat het met je?”

Ik kijk recht haar bruine ogen in. In het echt blijven haar ogen altijd net even dieper dan dat ik ze in gedachten herinner. Haar lippen doen iets wat op trillen lijkt. Ga niet huilen vrouw. Gij is sterker dan dat.

“Het is moeilijk. Zwaar. Hard. Ik eet slecht, slaap slecht. Ik mis je, maar ik wil je niet missen.”

Ik hoopte dat ze een ander zou vinden, en een middelmatig burgerlijk gezinnetje zou starten. En zodra haar eerste kinderen kwamen, ze mij totaal vergeten zou zijn. Maar hier zit ze, 3 maanden na Shanghai, op de bank die we samen hebben ontworpen.

“Laat ik niet zeggen hoeveel ik jou heb gemist. Hoevaak ik je geschreven en gebeld heb. Ik begin nu pas te geloven, dat je hier echt bent, in persoon, in ons huis. Eerlijk gezegd had ik het begrepen als je ‘s nachts was gekomen. En dan alleen om dit huis met een slapende ik in de hens te steken.”

“Hoe jij de martelaarskleed hebt aangetrokken begint een beetje.. genant te worden. Door zo voor de trein te liggen en jezelf te straffen lijk je alsnog een goed mens. Maar dat je was al niet meer.”

“Ik kan niet anders, Hannah. Je vertrouwde mij. Jij gaf mij alle vetrouwen, en ik brak het in stukken. Miljoenen splinters.”

“Wat een dramatiek. Verman jezelf.”

Niets wat ik vanaf nu zal zeggen zal haar bevallen. In het leven is er niets pijnlijker dan dat jouw pijn niet wordt erkend. Dat geldt voor haar. Ik erken haar pijn. Maar ze wil geen erkenning van mij. Ze wil niet mijn schuldbekentenis. Ik blijf stil.

“Ik ben hier niet om terug bij je te zijn.”

Ik voel dat er meer drama komt. Ze geeft mij een blik, een vooruitblik.

“Er is iets wat ik je wil zeggen. En ik wilde het niet over de telefoon doen.”

“Ok..”

“Ik ben..”

Ze gaat nu recht op zitten. Haar kin is omlaag gericht.

“Ik ben zwanger.”

Natuurlijk.

“Wat?! Hoe? Wie?”

“Ehm.. ik denk dat je wel weet hoe..”

“Hoelang?”

“Denk.. 4 maanden.”

“Je denkt? 4 maanden?”

4 maanden? We zijn pas 2 maanden 4 weken en 3 dagen uit elkaar.

“Is hij van mij?”

“We hebben het al iets langer.. ehm.. niet gedaan.”

Dat had ik blijkbaar gemist. Is dit haar manier van vertellen dat..

“Hannah, ben jij vreemd gegaan?”

Ze kijkt mij niet meer aan. Hoe kan ze mij eerst door een zelfgemaakte hel van bestraffing laten gaan, om vervolgens deze bom op mij te laten vallen. Ik krijg het benauwd.

“Hij was minder vreemd dan jij vreemd was geworden van mij.”

Haar verdediging heeft ze uitgekiend. Hij was minder vreemd dan jij vreemd was geworden. Wat zeg je daar tegen. Het is alsof ze zegt dat het pas overspel zou zijn om het met mij te doen. Wat een geweldige verdraaiing.

“Ik heb nooit van haar gehouden. Ik houd nog steeds van jou. Maar als je dit zegt, zeg je dat je meer van hem hield?”

Ik vraag haar recht op de persoon af om de dolk tussen mijn ribben te steken. Mijn palmen raken bezweet. Hoe kon ze dit doen? Ik voel mij nu zo dom. Zo naïef. Ik word misselijk.

De televisie staat nu uit. Een van de weinige momenten van stilte in dit kwartier. Ik wil niet meer naar haar kijken. Zij is de duivel die mij deed geloven dat ze niet bestond. Ik heb geslapen met de duivel. Ik heb gespeeld met vuur. Mijn hart is niet gebroken. Mijn hart is verbrand. Iets wat gebroken is, kan worden gerepareerd. Min of meer. Maar iets dat in as is, is permanent geschiedenis.

Het was haar eigen schuldgevoel dat haar temperament onderdrukte.

Ze antwoordt niet meer. Ze huilt.

Ik sta op. Er ligt nog een pakje malboro op de eettafel. Ik steek er één op. Mijn longen kunnen niet meer zwarter worden dan mijn hart.

Buiten is het donker geworden. Het is nu even gestopt met regenen. Ik ruik nog de lucht van tomaten. Sigarettenrook vult de ruimte. Ik zet de fles aan mijn mond, en drink er uit.

35 ben ik. Ik ben rijker en beroemder dan ik dacht te worden. Maar ik ben net zo vol vragen, als toen ik 25 was. Wie ben ik? Wie wil ik zijn? Waar wil ik heen? Wat gaat er komen? In die 10 jaren zijn deze vragen slechts scherper geworden. Als de lijnen in mijn gezicht. De antwoorden kwamen, en gingen weer met veel drama. Ik dacht in Hannah de vrouw te hebben met wie ik boven de onzekerheden van het leven uit kon komen. Ik heb geen platendeal. Ik ben bedrogen. En ik heb bedrogen.

“Hannah. Ik kan je niet haten. Maar ik kan ook niet meer van je houden.”

“Het gaat je goed.”

Door beide vreemd te zijn gegaan, zijn we in balans. Al is het per saldo een negatief. Dit is niet de mens die ik wil zijn. Hiermee wint de liefde niet. Liefde is blijkbaar zo sterk als de drang van de zwakste schakel in een vreemd land naar een vreemde vrouw.

Het gaat mij goed. Het gaat mij.. goed.

Een nacht in Shanghai III

Nadat ze mijn hotelkamer had verlaten, bleef het lang stil. Het was alsof in al die jaren mijn auto langzaam van de weg was geraakt. En nu keihard een muur van ontnuchtering opbotste. Geen airbags, abs of kreukelzones. Een verbrijzeld ziel en de droom uiteen gespat.

Ik rende de gang op, zo in mijn boxers.

“Hannah! Hanna…wacht!”

Haar smalle lijf reageerde door te versnellen naar het trappenhuis. Wachten op de lift zou mij de tijd geven haar in te halen. Ik ging haar achterna, de trappen af, naar de lobby. Ik zag haar blauwe jas nog net door de draaideur de drukke straat op vliegen. Wat kan ze snel zin als het nodig is.

Mijn telefoon lag nog op mijn kamer. In de broekzak van mijn spijkerbroek. Waarom had ze me niet verteld dat ze zou komen? Misschien vermoedde ze het al. Jezus. We hebben wel eens ruzie gehad. Heftig soms ook. Maar ik heb haar nooit over de straten in mijn onderbroek op blote voeten hoeven achterna te rennen.

“Sir, could you please go back inside the hotel. Thank you.”

Een agent.

“But..that’s my girl there! I need to talk…”

Dat zal hem een worst wezen. Ze stapte een taxi in, en reed weg.

Terug in mijn kamer zag ik dat de andere ‘zij’ ook was vertrokken. Verstandig. Ik zal haar waarschijnlijk moeten ontslaan. Ze had de deur voor mij opengelaten. Naarstig zocht ik naar mijn mobiel. Het hoopje kleren naast het bed. Ik zag dat iemand hier haar slip is vergeten.

De telefoon bleef overgaan tot aan haar voicemail. Ik belde weer. En weer.

“Hallo. Dit is de voicemail van Hannah. Spreek wat in en ik bel je terug. Doei!”

Haar stem. Zacht, met een zoete ondertoon. Duidelijk opgenomen in een minder onstuimige tijd.

“Hannah! Ik moet je spreken. Laat me met je praten. Alsjeblieft, Hannah. Ik wil je niet kwijt. Bel me.”

Ze belde niet. Hierop stelde ik een uurlijkse routine in. Niemand kon mij vertellen in welk hotel zij verbleef. Mijn telefoon bleef stil.

Goverdomme, de mini-bar was leeg. Ik nam een plaats aan de hotel bar.

“A Jameson. No ice.”

Het was leeg aan de bar. En laat. Ik hield de barman bezig. Iedere druppel meer bleek opnieuw niet genoeg om mijn knagende brein te verdoven. En nog steeds had ze niet gebeld.

“Hannah, neem op. We zijn 8 jaar samen en vroeg of laat moeten we praten. Ik erken mijn fout. Mijn schuld. Mijn falen. Ik heb het verknald. Alsjeblieft, bel me terug.”

De dinsdag en de woensdag had ik mijzelf opgesloten op mijn kamer. Met mijn telefoon en een doos vodka flessen. Afgeleverd met een zakje gelukspoeder door mijn altijd vriendelijke en wel aangesloten drummer. Van deze twee dagen heb ik nauwelijks een herinnering.

Donderdag kwam de kater in de vorm van een monster. Bezweet en uitgedroogd woelde ik mij wakker. Ik lag op de grond. Pijn in mijn nek. De televisie maakte geluiden. Het kamermeisje bleef hier weg. Ik kan mij vaag herinneren iets naar de deur te hebben gegooid. Daar lag het, in scherven, de laatste fles vodka die voor handen was. Mijn hoofd bewoog traag.

Ik zocht naar mijn telefoon. Een sms. Hannah! Fuck! Ze leeft! Zover dat ik kon denken, dacht ik dat ze deze hel met een vliegtuig verlaten zou hebben.

Hannah, mijn liefje. En zo gebeurde het dat wij die ‘night, 8p.m.’ ontmoetten in ‘t.b.’.

[wordt vervolgd..]

Een nacht in Shanghai II

Al sinds mijn jongere jaren zei mijn vader altijd: “Jij gaat het ver schoppen.  Verder dan ik ooit zal komen. Dat is mijn droom die jij zal leven. Maar je gaat alles kwijt raken. Omdat je totaal geen besef hebt van de waarde van alles om je heen. Kijk, ik heb hard gewerkt voor iedere cent. Jij hebt je talent, je hersenen, en ouders die alles voor je deden. Ik hoop dat de dag dat je de wereld leert waarderen eerder komt dan dat je het nodig zult hebben. Laat je je niet inhalen door die dag.”

De gedachte aan die woorden alleen al maakt mij nederig. Ik ben ook een fucking kleuter. Ik ben ook nooit opgegroeid. Op geen manier voelt dit als een spel die te resetten valt. Woorden zo duidelijk, en toch heb ik mij laten inhalen. Ik heb haar niet gewaardeerd. Ze was onmogelijk mooi. God, ik krijg rillingen als ik aan haar denk.

Met mijn gezicht in de kuip van mijn handen, leunend met de ellebogen op mijn knieën, zit ik hier dan. De rand van het bed voelt als de rand van de diepste afgrond. Ik ben op mijn hotelkamer. De nacht is ingevallen. De maan is op een dag na volwassen. Binnen laat ik het donker.

Ik wil mij zelf zien bloeden. Een mes zou zomaar die wens willen vervullen. Ik wil mij dieper pijnigen, zoals mijn bonkende hart uit mijn romp rukken en opeten. Hoeveel mannen hadden haar niet meer gewaardeerd dan ik. Zij hadden haar meer verdiend. Daar heeft ze gelijk in. Een man die de wereld voor haar over zou hebben.

Aan een bar aan de andere kant van de wereld ontmoetten wij elkaar. Zij kwam naast mij zitten en zei niets. Ik zei ook niets, maar bleef naar haar kijken. Zij had hét. Ik had net opgetreden met mijn band. Zij was één van de 50 mensen in het broederig lokaal. Het intieme van ons muziek delen met een kleine aanhang gaf een enorme voldoening. Zij was anders dan de meisjes die normaal op mij afstapten.

Op mijn muziekschool, waar ik wel eens gitaarles gaf om de eindjes aan elkaar te knopen, leerde zij graag van mij de gitaar bespelen. We kwamen dichter tot elkaar. In die dagen was de muziek voller en de snaren lichter. Het was voor ons de cocon waar wij, met z’n tweeën, in gingen leven. Samen kropen wij eruit om te fladderen als vlinders, zo verliefd. Geholpen door druppels ghb en ander spul waanden wij ons op wolken van liefde.

Mijn muziek, maar vooral zij. Alles wat ik nodig had om gelukkig te zijn. Mijn leven was fantastisch. We hadden steeds meer optredens onder de naam ‘Fresh Rust’. Bijklussen was niet meer nodig. Zij was mijn muze. Haar werken, ze is een visueel kunstenares, waren altijd vol kleur en passie. Warm, treffend. Soms dacht ik dat kijken naar haar schilderingen op gelijke voet stond met de liefde met haar bedrijven.

De band maakte steeds betere muziek. We werden blij van de harmonie in ons werk. Samen konden we een groter huis kopen. Het werd er een woning boven een oud opslagplaats. We verbouwden het tot haar galerie, en onze liedjeshemel. En we gaven wilde feesten. En het maakte niet uit hoeveel mannen haar aanspraken. Aan het eind van de dag hadden we iets dat zuiver was.

Haar werken sloegen aan. Ze werd over de wereld uitgenodigd. ‘Fresh Rust’ wisselde van gezichten. Ik bleef staan. Internet bracht ons wereldwijd naar onbekende plekken, waar onze fysieke aanwezigheid slechts een kwestie van tijd werd. Ik zag haar steeds minder. Ik merkte dat aan onze muziek. Zij verloor kleur. Volgens haar verkocht het beter. Ik denk, dat het aan mij lag.

Zij was net afgestuurd van de hogeschool. De andere zij. Ze wilde in onze wereld leven. De wereld van feesten, optredens, aanbeden worden, ons bezuipen, laat opstaan, vloerkleden onderkotsen en weer feesten. En dat vervolgens een werkweek noemen. Ik wilde haar erbij, eerst als stagair, later in dienst. Voor de agenda, boekingen. Zij was goedkoper dan die oplichter die zich artiestenmanager noemende. En ze had die frisse straatwijsheid op zak om minstens net zo goed te zijn.

Hannah. Maandag. Ze kwam mij opzoeken in Shanghai. Een tentoonstelling waar ik niet van wist. Ze wilde me verrassen met een bezoekje aan ons optreden. En daarna, net als vroeger, de energie uit ons lijf werken. Wat ze niet wist, wat deze drama starte, was dat ik mijn energie al een tijdje bij een ander liet weg vloeien. In eerste instantie dacht ik dat het kamermeisje te vroeg kwam schoonmaken.

Tot ik haar recht in de ogen keek, en besefte. Ze zei niets. Ook toen niet.

[wordt vervolgd…]