Een nacht in Shanghai

Zonder mijn bovenlichaam verder te bewegen, reik ik langzaam naar het glas voor mij op tafel. Ik breng het naar mijn mond, en neem er een slok van. Het bitter-zoete kietelt mijn tong. We praten niet meer. Al een paar dagen niet.

Ze heeft zich niet mooier gemaakt voor dit weerzien. Verrast ben ik wel. Haar telefoon antwoorden doet ze al dagen niet meer. De laatste vorm van communicatie was een sms van haar: “2night, 8pm, T.B.” Hierop kon ik niet meer dan antwoorden met een “ok”.

“Wil je wat te drinken? Een rosé misschien?”

Haar ogen staan op onbekend. Ben ik haar nu vreemd? Ze neemt niets. Ze wilt niets. Ze wilt niets meer.

“Je bent een hond.”

“Ik weet het.”

“Een varken. Een..” – in een ingehouden agressieve toon – “.. tering varken.”

“Ik weet het.”

“Met weten kom je hier niet weg. Wist je dát maar.”

En weer die blik. Ik voel mij schizofreen. Een week terug dacht ik dat we onlosmakelijk waren. Nu weet ik niet of zij heeft bestaan. Ik wil dat ze echt is. Ik zal diep moeten gaan. Ik zal in modder moeten bijten.

“Het ergste vind ik dat je het zolang hebt volgehouden. Had mij voor een trein geduwd. Had mij liever levend opgegeten. Had mij..”

“Hey,…zeg dat niet.”

Ze gaat nu vechten. Tegen haar tranen. Ik ben haar tranen. Ik had zoveel anders kunnen zijn. Ze hoeft niet te strijden. Ik zal mijzelf voor haar bevechten. Ik haat mijzelf daarvoor genoeg.

Vooraf had ik dit gesprek op duizenden manieren voorgesteld. Heel de dag gaan er scenario’s door mijn hoofd. Van vliegende borden, tot hete seks. Van dat laatste gaat er denk ik weinig van komen. Het ziet er in ieder geval niet naar uit. Van het eerste ook niet.

Dit soort gesprekken kennen geen scenario. Wel een evolutie. Ik moet dit overleven, of ik besta niet meer. Voor haar in ieder geval niet. Ik zal moeten veranderen, maar dat gaat niet. Niet in een gesprek. Niet in die sumiere kans die ze me misschien uit een vleugje misplaatste medelijden zal geven.

Ik voel mij als een moordenaar met spijt. Vanaf het moment dat ik de trekker overhaalde tot nu, berouw ik mijn daad. Daden eigenlijk. En de trekker overhalen duurde bij elkaar anderhalf jaar. Hard en pijnlijk. Vooral toen mijn dodelijk schot haar oren bereikte. De doffe knal. Rauw, van warm naar koud.

Ik heb haar vermoord. Ze zal niet meer de mens zijn die zij was. Niemand zal zij zo dicht tot haar laten komen, dat diegene zal zien, wat ik ooit heb gezien. De volledigheid van haar schoonheid. Ik heb haar van zichzelf ontnomen. En kapot gemaakt. Dat is hoe haar gezicht nu staat.

Ze weet het. Ik weet het. Ik berouw het, zij behuilt het.

“Pardon, mag ik een Jameson. Twee vingers, geen ijs.”

“Ik heb geen woorden om je te vertellen hoe zeer het mij spijt. Ik heb iets vreselijks gedaan. Ik heb je pijn gedaan.”

Zal ik zeggen dat ik haar dus eigenlijk heb vermoord.

“Ik zie de misdaad. Ik zie je tranen. Ik weet dat het geen waarde voor je zal hebben, maar ik houd nog steeds van je. Misschien wel meer dan ooit. Omdat ik weet dat ik je nu kan verliezen. En het bijt me om te weten je misschien ook wel nooit meer te zien.”

“Jij vuile kloothommel. Jij verdient mij niet. Lul.”

En dat is het. Af en toe zegt ze nog iets. Maar verder dan mij verbaal pijn willen doen, komt het niet. Geen van haar woorden wegen op. De haat is zo diep. Ik heb het zelf bij haar ingeslagen als een granaat. Versplinterd in haar lijf moet ze het hebben gevoeld.

Haar blik staat gericht naar het tafelblad, de muur achter mij, de vloer, het raam naar buiten, maar niet naar mij. Ze gunt mij geen blik. Haar schouders zijn naar voren gevallen. Het haar zit los, en bedekt haar nek. De knopen van haar overhemd zijn ongewoon hoog gesloten.

Ze grijpt naar haar tas. De sleutels hoeft zij niet meer. Ze schuift het over de tafel tot net over mijn helft. Een snelle oogwisseling. De scheidingsrituelen vinden hier aan tafel hun aanvang.

Godverdomme. Ga ik haar nu verliezen? Dit is een bluf. Laten zien dat ze me niet nodig heeft. Over een maand is ze weer terug. Dan mist ze mijn..

Mijn wat eigenlijk? Wat the fuck heb ik haar mee verrijkt? Behalve al het verdriet. Behalve een hart dat geschonden is. Een ziel die doorstoken is.

[wordt vervolgd..]

Viool en wolken.

Mijn lichaam ontdoet zich van mijn fysiek. Mijn lichaam zweeft. Ik voel mij los, op een bepaalde manier bevrijd. Van mezelf. Van de tastbare wereld. Ik ben niet dood. Mijn lichaam blijft in positie, maar is niet langer verbonden met het vlees en bloed dat hier op de bank zit. Ik voel mij lichter geworden. Als ik aan iets moois denk, krijg ik altijd een rare rilling over mijn onderbuik. Koud van buiten en warm van binnen. Vreemd. Nu voel ik hetzelfde. De viool is een gevaarlijk instrument.

De snaren brengen meer dan alleen lucht in beweging. Het is alsof met iedere strijk de rillingen zich laten dirigeren door de melodie. Ik voel mij wakker. Een gelukkig gevoel, dat mij verder vervreemdt. Ik wou dat ik altijd dit kon voelen. Dorst.

Het is als stoppen, zonder tot stilstand te komen. Meer als stoppen in een dimensie, om in een andere verder te gaan. Perspectieven vermenigvuldigen zich met breuken. Inname. En de honger die hierop volgt.

Gelukkig heb ik drinken en eten bij de hand. Suikerrijk voedsel. Insuline in mijn lichaam. Hydratatie van mijn hersenen. Ik ben verlamd. Niets voelt beter dan totale verlamming. Dit is het beleven waard. Belletjes rinkelen in dit nummer. Met een pianorif en nog steeds de viool. Hoge noten. Zware elektrische gitaren en een drumstel. Het verrast en overvalt me.

Ik voel mij als een wolk. Een samenstelling van niets. Ik kan met een windvlaag oplossen. Opgaan in de lucht die ik adem. Ik wil mijzelf inademen.  In me opnemen. Dat zou grappig zijn. Of op mijzelf regenen. Als druppels die op mijn naakte huid spatten. Ik wil dansen in mijn regen.

Voor even is het leven geen reis. Ik sta stil, kijk om me heen, en geniet. Intens. Om het niet verder te compliceren, val ik in slaap. Ik vertel je niet over mijn dromen. Ik houd het hierbij.

 

 

Tot de ochtendgloren de lucht kleuren

Frontaal tot aan het punt van bezwijken.  Kreukelzones houden ook ergens op. Katoen. Levend huid, bezweet en wel. Onthaard en strak het vlees omvattend. Een vluchtig parfum die tot najagen uitdaagt. De belofte voor een zoete toekomstige herinnering. “Geef je over, of ik neem je over”, lijkt het te zeggen. 

Het meest kwetsbare lichaamsdeel wordt uitgeworpen om elkaar aan te verankeren: de ogen. Donker op donker. Een luchtbrug van magie. Vertrouwen vloeit uit openheid. Die grote ramen tot het ziel staan wagenwijd open. Vlinders lijken wel van het ene raampje naar het andere te vliegen.

Geen spier onthoudt zich van de omhelzing. Bij beiden niet. Enige ruimte om de lichamen synchroon te laten dansen. Vibrerend met elkaar. Geluidsgolven die de ritme bepalen. De wereld om het tafareel is slechts decor. Het bloed van beide lichamen is verdund. En stroomt snel, naar al die spieren die het nu nodig hebben. 

Het vuur wordt gevoed door een olieleiding waar verlangen door stroomt. Alles past in elkaar. Van de heupen tot de lippen. Van het verstand tot het hart. Er wordt van buitenaf geblust. Met water. Dit vuur brandt harder door. Een voorstelling van gloeiende oranje en rode balerina’s. 

Er is continue beweging in de stilstand. Ieder moment is onhoudbaar. Het gebeurt. Het ontwikkelt tot een nieuw onstabiel evenwicht. Niets is oneindig, maar het eind mag zich best onvindbaar verstoppen. De tijd bestaat voor even niet. Er is slechts een ruimte, en het vacuüm dat vol is geblazen door de ontmoeting.

Haastig wordt er van achtergrond gewisseld. Eerste maal daar. De handen, de vingers die op ontdekking uit zijn. De doorbloedde lippen en de zachte natte pleziersponzen zijn elkander tot een bewegend organisme toe aan het leiden. Het leeft. Wezenlijke warmte wisselt van eigenaar. Geen katoen, of polyester meer. Misschien een haar. De tinten gloeien op. Bewegingen volgen op samentrekkende spieren. Het parfum grift zich in het geheugen. 

“Ik zie je nog.” Enige desperatie dat dit moment zich nooit zal herhalen. Deze desperatie wordt overtroffen door het eergevoel om gastvrouw en -heer te zijn geweest aan dit moment. Voor eeuwig, en nooit meer. Onzekerheden en verhullingen slaan in. Net als een nieuwe dag.

De tramhalte

Het is vrijdagavond. Ik kom net van de universiteit met de metro. Ik ben op weg naar huis. Vermoeid. Niet van het studeren. Ik heb het tot Maashaven gered. Het laatste stuk met de tram wacht mij. 

Een dikkige jongen van Turkse afkomst spreekt een meisje op de trappen naar beneden aan. Ze versnelt haar pas. Van hem wilt zij niets weten. Jammer. Voor hem. Het is zijn tweede blauwtje op rij.

De eerste, die ik van hem zag, beleefde hij nog net in de metro. Bij een meisje die net een halte ervoor afscheid had genomen van haar vriend. Hij stapte later in, onwetende van het voorgaande. Niet dat hij een serieuze kans maakte: haar vriend was veel knapper. Binnen haar smaakpalet is er geen plek voor jongens als hij. Dat liet ze ook blijken, met een verbitterd gezicht. 

Het meisje dat hem wilt ontsnappen, haalt hij verderop weer in. Op de roltrap naar de begane grond. Hij zet aan, blijft vriendelijk en weer krijgt zijn boodschap geen positief ontvangst. Ze loopt snel door naar de halte, hij dwaalt af. Ik kan net zijn gezicht zien terwijl hij de hoek omgaat. Hij ziet er niet verslagen uit. Ik merk dat ik zijn doorzettingsvermogen wel kan waarderen. Ergens moet hij immuniteit tegen dit soort openbare blunders hebben opgebouwd.

Op het verlichte tramhalte, dat meer weg heeft van een waar tramstation, zijn er weinig mensen. Niemand om eerlijk te zijn. De leegte staat voor een tram die net is vertrokken. Dit is wat trams meestal achterlaten op haltes. Leegtes. En een ongedoofd sigaret. Het zal twintig minuten duren voordat de volgende tram ons hier ophaalt. 

Ik heb mijn plekje op de halte gevonden. Het is een plek waar ik wel vaker sta. Ter hoogte van de deuren waar ik dadelijk in zal stappen. Ik zie het meisje dat net is ontsnapt aan de dikkige Turk onder het andere afdak zitten. Ze kijkt deze kant op. De tram komt van de andere kant. Ze kijkt naar mij. Ik kijk terug, en dan weg. 

Aan de overkant zie ik een stel staan in een innige omhelzing. Zij iets langer dan hem. Hij meer getint. Ze zijn beide verliefd. Op elkaar, zo lijkt het. Zijn handen bewegen op en neer, wrijvend over haar leren rug. Zo koud is het niet. Eigenlijk is het vrij zacht voor de tijd van het jaar. Voordat je een citroen perst, is het goed om hem even warm te wrijven. Dan komt er meer sap uit. Zou hij dit weten?

Ik hoor twee blinden aan komen lopen. Het geluid van hun stokken die over de stoeptegels glijden. De ene leidt, de ander laat zich leiden. Deze laatste lijkt bang. De leidende blinde is groter en sterker. De jongere is ergens behoorlijk angstig over. Ze steken een sigaretje op en gaan staan bij de haltebord die ze net aantikten. Misschien is hij nieuw blind – op mij komt het nog onwennig over – en moet hij nog wennen aan zijn nieuwe beperking. 

De tramhalte wordt zo met de mens meer bezet. Een zwart meisje met een goud jasje. Een besnorde man van middelbare leeftijd in een lossere taupe kleurig jas. Een vrouw met opgezette grijze krullen. Ze mompelt wat. 

De grotere blinde man kijkt mij aan. Vanaf de haltepaal aan de overkant. Hij staart recht mijn ogen in. Zijn lichaam staat niet naar mij toe. Zou hij mij kunnen zien? Hij neemt een trek uit zijn sigaret, kijkt weg, en kijkt opnieuw naar mij. Heeft hij een moment dat hij weer ziet? Waarom ik? Doe ik hem aan iemand denken? Waarom kijkt hij in de eerste plaats? Dude, je kunt niet zien. Je kunt niet zomaar per toeval je gezicht deze kant op hebben. Je bent blind. Hij houdt op met kijken, en gedraagt zich weer blind.

Een paar jongens van Marokkaanse achtergrond ontbraken nog aan het uitdijend tafereel. Nu dus niet meer. Het zijn er drie. Ze kennen de jongens die aan de overkant staan. Een dierlijk spel van territorium afbakening volgt. Ik ben niet bioloog genoeg om te zeggen wie er heeft gewonnen. Ze besluiten aan de overkant te staan. Er worden groeten en stoten uit gewisseld. Ze breken weer.

Een jongen met een petje begeleidt de twee blinden langs de rand van de halte naar een zitplaats. Bij het verliefde stel. Hun onmogelijke eenwordingsproces wordt hier verstoord. Ze schuiven op, en gaan weer door waar ze mee bezig waren. De vrouw lijkt zich nu minder op haar gemak te voelen. De man houdt haar steviger vast. De jongen met het petje laat de blinden achter.

Het verliefde stel, de neder-anti’s, de blinden, de meisjes met dikke wangen en de jongen met het petje. Hun tram komt er aan. Natuurlijk. Het lijkt een wetmatigheid. Altijd wanneer ik op een bus of tram wacht, komt de bus of tram in de tegenovergestelde richting altijd eerder. Altijd. Zonder uitzondering. Wat is dit spel dat met mij gespeeld wordt? Mijn tram lijkt zich schuil te houden totdat de tram in de andere richting is vertrokken. Mijn tram is te laat. Mijn trambaan is, tot waar het zicht reikt, leeg. De tram houdt zich niet schuil. Niet hier.

Een minuut later mogen ook wij, de student, de besnorde man, het gouden jasje, de grijze krullen, de mocro’s, het ontsnapte meisje en de nog door niemand herkende nationale tv-presentator de tram in. De milde vrijdagnacht in de buitenlucht wordt vervangen door de overbodige stinklucht uit de verwarming van de tram. 

23.34 ben ik thuis. Eindelijk weer een keer onbeschonken. Ik poog een boek uit te lezen dat naast mijn bed op de vloer ligt. Mijn oogleden vechten hun weg omlaag. Ik slaap.

 

Afscheid. Drank. Auto’s.

Hier ben ik het ene moment op een borrel ter ere van het vertrek van een goede vriend bij zijn werkgever, en hier zit ik in een lokaaltje met 19 anderen, in een gebouw ver van huis, autobezit te verdedigen. In slechts drie uur tijd, in chronologie:

SMS. Bellen. Afspraak. Borrel. Vriend. Afscheid. Drank. Nog meer drank. Hapjes. Mensen. Nieuwe mensen. Drank. Vreemde mensen. Drank. Bellen. Samenvattingen. Drank. Sigaretten. Mailen. Bellen. Voicemail. Afscheid. Meer afscheid. Kleiner gezelschap. Intiemer gezelschap. Drank. Plan. Twijfel. Werkplek. Lichten. Charme. Twijfel. Broodjes. Paraplu. Locatie. Regen. Veelbelovend. Dooie boel. Geen drank. Anti-auto’s?! Auto’s!! Dominant. Leven. Verleiding. Compliment. Fake cigarette break. Metro. Tram. Huis.