Sprakeloos II

Elk woord
is een metafoor

Elk woord
is een beeldspraak

Zoeken doe ik
naar de juiste vergelijking
naar de liefste beschrijving
naar de woordelijke belijving

Vinden doe ik.
Niet.
Nooit.

Wolk

Ik zie haar
op een wolk
en droom.

Ik wil bij haar zijn.

De zon schijnt.
De wolk schijnt.

Ik beeld me
op een wolk
zo hoog

als

de hare.

Varen wil ik
tot onze wolken
één wolk
zijn.

Eindeloos.
Licht.

Op onze wolk.

Afwezigheid

Ik reik naar je hand,
maar beleef,
zonder jou,
verbeeldingen.

Ik pik de vleugels,
van de bloemen
en je geur
die je met me laat.

Ik raad naar je mond,
naar je woorden
je lippen
die de mijne arresteren.

Jij doet mij leven.

Meisje, ik droom je.
Ik lach je. Ik voel je.
Ik mis je.

Meisje, ik geniet van je.

Ik geniet groots.
Ik geniet onbeperkt.

Van jou.
Van jouw

Afwezigheid.

Grijpen

Grijpen wil ik het.

Ik wil mijn handen er omheen krijgen.
En nooit meer los laten.

Maar dat kan niet.
Dat kan niet.

Grijpen kan niet.

Ik wil het begrijpen dan.
Ik wil het begrijpen.

Maar het begrip gaat gekleed in onbegrip.
Het begrip gaat gekleed in onbegrip.

Herfstdepressie

De herfstmaanden zijn het treurigst. De regen, de wind, vooral in combinatie, en het geringe daglicht maken mij er niet gelukkiger op.

In deze dagen wil ik verdwijnen. Op in het niets. Ik wil in deze dagen niet bestaan.

Deze maanden vragen om middelen die de geest verruimen. Die mij helpen aan de benauwing te ontsnappen. Maar na de roes, is er weer dat seizoen dat zo roest.

Vandaag (eigenlijk woensdag, maar ik schrijf het nu op) kwam ik op het volgende:

Vandaag ben ik een product van wie ik gister was, en wie ik morgen wil zijn.

En omdat ik gister mij nog in de zomer waande en morgen uitkijk op een bevroren seizoen, ben ik vandaag melancholisch. Op het depressieve na. Treurig.