de kade

Aan de kades van mijn stad meren liefdes aan. Het zijn dakloze liefdes. Liefdes die leven in stalen kooien en kwetsbare harten. Hier aan de kade staat alles voor even stil. Voor even samen.

Dromerige silhouetten die elkaar opzoeken in het gemeden licht. Opgesloten in hongerige armen. Besloten tussen vier ogen. Bevochtigd met rode lippen en roze tongen. Dampende lijven en beslagen ruiten.

Hier aan de kade raakt de hoop geïnfecteerd door het verhaal van het water dat zich ongemakkelijk een weg baant door het droge land op zoek naar open zee. De open zee waar water geen vreemde is. De open zee waar het water niet ingekaderd is.

Verboden en verbannen. Verliefd en vertrouwd. Verklaard en verhuld. Verdronken en verloren.

De magie van deze liefelijke momenten wordt gebroken door het kale geluid van het vastklikken van gordels. Vastgeriemd in de realiteit. Tot de volgende ontmoeting in het donker. Op deze grens van het onbewogene en het bewogene.