Een nacht in Shanghai III

Nadat ze mijn hotelkamer had verlaten, bleef het lang stil. Het was alsof in al die jaren mijn auto langzaam van de weg was geraakt. En nu keihard een muur van ontnuchtering opbotste. Geen airbags, abs of kreukelzones. Een verbrijzeld ziel en de droom uiteen gespat.

Ik rende de gang op, zo in mijn boxers.

“Hannah! Hanna…wacht!”

Haar smalle lijf reageerde door te versnellen naar het trappenhuis. Wachten op de lift zou mij de tijd geven haar in te halen. Ik ging haar achterna, de trappen af, naar de lobby. Ik zag haar blauwe jas nog net door de draaideur de drukke straat op vliegen. Wat kan ze snel zin als het nodig is.

Mijn telefoon lag nog op mijn kamer. In de broekzak van mijn spijkerbroek. Waarom had ze me niet verteld dat ze zou komen? Misschien vermoedde ze het al. Jezus. We hebben wel eens ruzie gehad. Heftig soms ook. Maar ik heb haar nooit over de straten in mijn onderbroek op blote voeten hoeven achterna te rennen.

“Sir, could you please go back inside the hotel. Thank you.”

Een agent.

“But..that’s my girl there! I need to talk…”

Dat zal hem een worst wezen. Ze stapte een taxi in, en reed weg.

Terug in mijn kamer zag ik dat de andere ‘zij’ ook was vertrokken. Verstandig. Ik zal haar waarschijnlijk moeten ontslaan. Ze had de deur voor mij opengelaten. Naarstig zocht ik naar mijn mobiel. Het hoopje kleren naast het bed. Ik zag dat iemand hier haar slip is vergeten.

De telefoon bleef overgaan tot aan haar voicemail. Ik belde weer. En weer.

“Hallo. Dit is de voicemail van Hannah. Spreek wat in en ik bel je terug. Doei!”

Haar stem. Zacht, met een zoete ondertoon. Duidelijk opgenomen in een minder onstuimige tijd.

“Hannah! Ik moet je spreken. Laat me met je praten. Alsjeblieft, Hannah. Ik wil je niet kwijt. Bel me.”

Ze belde niet. Hierop stelde ik een uurlijkse routine in. Niemand kon mij vertellen in welk hotel zij verbleef. Mijn telefoon bleef stil.

Goverdomme, de mini-bar was leeg. Ik nam een plaats aan de hotel bar.

“A Jameson. No ice.”

Het was leeg aan de bar. En laat. Ik hield de barman bezig. Iedere druppel meer bleek opnieuw niet genoeg om mijn knagende brein te verdoven. En nog steeds had ze niet gebeld.

“Hannah, neem op. We zijn 8 jaar samen en vroeg of laat moeten we praten. Ik erken mijn fout. Mijn schuld. Mijn falen. Ik heb het verknald. Alsjeblieft, bel me terug.”

De dinsdag en de woensdag had ik mijzelf opgesloten op mijn kamer. Met mijn telefoon en een doos vodka flessen. Afgeleverd met een zakje gelukspoeder door mijn altijd vriendelijke en wel aangesloten drummer. Van deze twee dagen heb ik nauwelijks een herinnering.

Donderdag kwam de kater in de vorm van een monster. Bezweet en uitgedroogd woelde ik mij wakker. Ik lag op de grond. Pijn in mijn nek. De televisie maakte geluiden. Het kamermeisje bleef hier weg. Ik kan mij vaag herinneren iets naar de deur te hebben gegooid. Daar lag het, in scherven, de laatste fles vodka die voor handen was. Mijn hoofd bewoog traag.

Ik zocht naar mijn telefoon. Een sms. Hannah! Fuck! Ze leeft! Zover dat ik kon denken, dacht ik dat ze deze hel met een vliegtuig verlaten zou hebben.

Hannah, mijn liefje. En zo gebeurde het dat wij die ‘night, 8p.m.’ ontmoetten in ‘t.b.’.

[wordt vervolgd..]

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *