Een nacht in Shanghai IV

“Martin, kom op! Kom fucking op, ok??”

“Sorry. De vorige keer ging het geld op aan een album dat matig verkocht, en aan jullie overmatig alcoholgebruik, gefeest en de drugs. En daar willen wij niet..”

“Shit! Zijn wij zo cliché? Luister, het laatste album was kut omdat we te weinig kregen. Een kutproducer, jullie keus, kutmarketing, jullie werk, en vervolgens al dat gekut van jullie met foto’s in kutbladen. En dan zijn jullie nog verbaasd over de kutuitkomst? Dit keer bepaalt mijn gitaar en niet je fucking stropdas wat de mensen zullen krijgen. Fresh Rust, baby. Fresh Fucking Rust!”

“Zie je het dan niet? Ben je wel nuchter genoeg om dit te bevatten: jullie zijn over.”

Hij heeft opgehangen. Wat een lul. Tja, wat doe je eraan?

Mijn bord is al wat kouder geworden. Tonijnsteak en pasta. Zolang het bier kouder blijft.

Op de achtergrond staat de televisie aan. Ik kan niet horen wat het is. Alsof ik de show trouwens zou herkennen als ik het wel kon horen. Daarvoor kijk ik te weinig. Het is meer een middel tegen eenzaamheid.

Iets meer van de romige tomatensaus zou goed zijn. Hij is lekker scherp geworden. Ik sta op en loop naar de keuken. De pan staat naast het fornuis.

De bel gaat. Ik schep nog even snel op.

Het is bijna negen uur en de buurman zou nog langskomen om een versterker te lenen. De deur.

“Hi.”

Ik weet niet wat ik nu moet denken of voelen. Dit is.. dit is vrij onverwachts. Wauw. Mijn hart leeft op. Mijn buik voelt weer raar. Mijn benen zijn er vandoor. Ik voel ze niet.

“Jij?”

Na al die maanden van onbeantwoorde brieven en voicemails op 3 verschillende telefoonnummers. Van gesloopte vazen en het kastje op de gang. Van depressie, whisky, katers en gedonder. Hier is ze dan.

“Ik.”

Wat heeft zij toch met onaangekondigd verschijnen. Het geeft haar een aura van een illusionist. Terwijl de ware illusionist aan deze kant van de drempel staat. Ik had mijn trouw aan haar iets te goed verstopt. En zij kon alleen maar gissen hoe dat had kunnen gebeuren.

“Ehm.. je bent nat. Kom binnen.”

Het regent nu al een week. Maar ik denk dat dat ons beide niet zo bedroefd heeft als de onweer in ons hart.

Ze loopt naar de woonkamer. Ze draagt laarzen en een leren jas. Wat is ze toch mooi. Dit was mijn vrouw. Mijn mooiste meisje, mijn lievelingsijsje. Ik ben weer verliefd. Als dit een bar zou zij, zou ik dit keer op haar afstappen. Ik zou niet weten wat ik tegen haar zou zeggen. Het enige wat ik vanaf dan zou willen is geen moment van haar zijde wijken.

“Kerel, heb je nog wat rosé?”

“Ik denk het wel. Misschien nog een fles. Ergens. Ik heb een fles rood open?”

“Ook goed.”

“Je jas..”

“Ik weet het hier allemaal nog wel te vinden. Dank je wel.”

“Hannah, hoe is het? Hoe gaat het met je?”

Ik kijk recht haar bruine ogen in. In het echt blijven haar ogen altijd net even dieper dan dat ik ze in gedachten herinner. Haar lippen doen iets wat op trillen lijkt. Ga niet huilen vrouw. Gij is sterker dan dat.

“Het is moeilijk. Zwaar. Hard. Ik eet slecht, slaap slecht. Ik mis je, maar ik wil je niet missen.”

Ik hoopte dat ze een ander zou vinden, en een middelmatig burgerlijk gezinnetje zou starten. En zodra haar eerste kinderen kwamen, ze mij totaal vergeten zou zijn. Maar hier zit ze, 3 maanden na Shanghai, op de bank die we samen hebben ontworpen.

“Laat ik niet zeggen hoeveel ik jou heb gemist. Hoevaak ik je geschreven en gebeld heb. Ik begin nu pas te geloven, dat je hier echt bent, in persoon, in ons huis. Eerlijk gezegd had ik het begrepen als je ‘s nachts was gekomen. En dan alleen om dit huis met een slapende ik in de hens te steken.”

“Hoe jij de martelaarskleed hebt aangetrokken begint een beetje.. genant te worden. Door zo voor de trein te liggen en jezelf te straffen lijk je alsnog een goed mens. Maar dat je was al niet meer.”

“Ik kan niet anders, Hannah. Je vertrouwde mij. Jij gaf mij alle vetrouwen, en ik brak het in stukken. Miljoenen splinters.”

“Wat een dramatiek. Verman jezelf.”

Niets wat ik vanaf nu zal zeggen zal haar bevallen. In het leven is er niets pijnlijker dan dat jouw pijn niet wordt erkend. Dat geldt voor haar. Ik erken haar pijn. Maar ze wil geen erkenning van mij. Ze wil niet mijn schuldbekentenis. Ik blijf stil.

“Ik ben hier niet om terug bij je te zijn.”

Ik voel dat er meer drama komt. Ze geeft mij een blik, een vooruitblik.

“Er is iets wat ik je wil zeggen. En ik wilde het niet over de telefoon doen.”

“Ok..”

“Ik ben..”

Ze gaat nu recht op zitten. Haar kin is omlaag gericht.

“Ik ben zwanger.”

Natuurlijk.

“Wat?! Hoe? Wie?”

“Ehm.. ik denk dat je wel weet hoe..”

“Hoelang?”

“Denk.. 4 maanden.”

“Je denkt? 4 maanden?”

4 maanden? We zijn pas 2 maanden 4 weken en 3 dagen uit elkaar.

“Is hij van mij?”

“We hebben het al iets langer.. ehm.. niet gedaan.”

Dat had ik blijkbaar gemist. Is dit haar manier van vertellen dat..

“Hannah, ben jij vreemd gegaan?”

Ze kijkt mij niet meer aan. Hoe kan ze mij eerst door een zelfgemaakte hel van bestraffing laten gaan, om vervolgens deze bom op mij te laten vallen. Ik krijg het benauwd.

“Hij was minder vreemd dan jij vreemd was geworden van mij.”

Haar verdediging heeft ze uitgekiend. Hij was minder vreemd dan jij vreemd was geworden. Wat zeg je daar tegen. Het is alsof ze zegt dat het pas overspel zou zijn om het met mij te doen. Wat een geweldige verdraaiing.

“Ik heb nooit van haar gehouden. Ik houd nog steeds van jou. Maar als je dit zegt, zeg je dat je meer van hem hield?”

Ik vraag haar recht op de persoon af om de dolk tussen mijn ribben te steken. Mijn palmen raken bezweet. Hoe kon ze dit doen? Ik voel mij nu zo dom. Zo naïef. Ik word misselijk.

De televisie staat nu uit. Een van de weinige momenten van stilte in dit kwartier. Ik wil niet meer naar haar kijken. Zij is de duivel die mij deed geloven dat ze niet bestond. Ik heb geslapen met de duivel. Ik heb gespeeld met vuur. Mijn hart is niet gebroken. Mijn hart is verbrand. Iets wat gebroken is, kan worden gerepareerd. Min of meer. Maar iets dat in as is, is permanent geschiedenis.

Het was haar eigen schuldgevoel dat haar temperament onderdrukte.

Ze antwoordt niet meer. Ze huilt.

Ik sta op. Er ligt nog een pakje malboro op de eettafel. Ik steek er één op. Mijn longen kunnen niet meer zwarter worden dan mijn hart.

Buiten is het donker geworden. Het is nu even gestopt met regenen. Ik ruik nog de lucht van tomaten. Sigarettenrook vult de ruimte. Ik zet de fles aan mijn mond, en drink er uit.

35 ben ik. Ik ben rijker en beroemder dan ik dacht te worden. Maar ik ben net zo vol vragen, als toen ik 25 was. Wie ben ik? Wie wil ik zijn? Waar wil ik heen? Wat gaat er komen? In die 10 jaren zijn deze vragen slechts scherper geworden. Als de lijnen in mijn gezicht. De antwoorden kwamen, en gingen weer met veel drama. Ik dacht in Hannah de vrouw te hebben met wie ik boven de onzekerheden van het leven uit kon komen. Ik heb geen platendeal. Ik ben bedrogen. En ik heb bedrogen.

“Hannah. Ik kan je niet haten. Maar ik kan ook niet meer van je houden.”

“Het gaat je goed.”

Door beide vreemd te zijn gegaan, zijn we in balans. Al is het per saldo een negatief. Dit is niet de mens die ik wil zijn. Hiermee wint de liefde niet. Liefde is blijkbaar zo sterk als de drang van de zwakste schakel in een vreemd land naar een vreemde vrouw.

Het gaat mij goed. Het gaat mij.. goed.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *