Lovers at the Lake | Part 2

“Laten we naar het meer gaan. We pakken onze spullen en zijn morgenavond weer terug.”

En hier zijn ze dan. Aan het meer. Geslapen in de ochtend, genoten in de middag, gesproken in de avond.

“Het liefst zie ik je nooit meer. Hoor ik nooit meer van je en besta je voor mij niet meer. Het is leuk geweest. Maar ook genoeg geweest.”

Hij weet niet waarom hij dit luid op tegen haar zegt. Voor zo lang hij het kan wil hij met haar zijn. Van haar bestaan gelukkig worden.

“Bij je blijven is als..”

Hij zoekt.

“..ik wíl bij je blijven. Snap je?”

“Nee, niets ervan. Wat zeg je allemaal? Heb je geblowd?”

Stoned is hij wel. De liefde voor zichzelf die hij bij haar voelt is zo zoet dat hij er bedweld door raakt. En dat wil hij niet.

“Sara, probeer me te volgen.”

Een onmogelijk opgaaf.

“Ik voel mij, sinds we elkaar zo zijn gaan zien, fucking gelukkig. Echt waar. Ik weet me niets mooiers te bedenken dan mijn tijd met jou te vermenigvuldigen.”

“WAAROM DAN??”

“Ja.. waarom… Waarom? Waarom vind ik je leuk? Waarom kan ik niet stoppen denken aan je? Waarom droom ik zonder te slapen?”

“Nou.. waarom?”

“Je maakt het me niet gemakkelijk, hè. Je vraagt om antwoorden die ik zelf niet heb.”

“Waarom, leg me dat uit, zeg je dat je me nooit meer wilt zien dan?”

“Dat neem ik terug. Ik heb dat nooit gezegd. Maar de waarheid is: ik heb het wél gezegd, en eigenlijk kan ik het nooit meer terug nemen.”

“Ik ga weer naar de hut. Spreek je morgen wel.”

Zij staat op uit haar stoel en kijkt naar de hut. Hij staat op, grijpt haar arm. Ze laat los. Ze gaat wel weer zitten.

Zij kan niet weg. Hij ook niet. Maar blijven voelt nu ongemakkelijk.

[wordt vervolgd]

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *